| Fox 22 | |
|
Wanneer ja alles uit je mast wilt halen spreekt het bijna voor zich dat de mast, van voren gezien, altijd loodrecht op het schip staat. Als dit niet het geval is presteert de boot slecht, het zeilt niet lekker. Een goed getrimde mast, samen met een set goed getrimde zeilen is vaak het verschil tussen zeilen en lekker zeilen. Het levert niet alleen meer snelheid op, maar vaart ook prettiger.
De valling, dat wil zeggen de helling van de mast naar achteren vanuit een loodrechte stand, mag licht aanwezig zijn; bij fractionele tuigages 1 à 1.5 graad, bij masttoptuigages 0.5 à 1 graad. Hierdoor wordt de boeg ontlast, dat is weer beter voor de zeegang en geeft een schuin naar boven gerichte voortstuwing, waardoor er minder weerstand in het water is. Zit er bijvoorbeeld veel extra gewicht in het achterschip, dan verplaatst ook het zwaartepunt van het onderwaterschip naar achteren. Dit is te verminderen met valling achterover. Laat de valling nooit te veel zijn (is trouwens afhankelijk van de lengte van je voorstag, tenzij je een verstelbare voorstag hebt). Want voor de wind wil je liever een rechte mast hebben, dat geeft meer (groot)zeiloppervlakte.
Over de vraag hoeveel spanning op de afzonderlijke stagen en het want moeten staan, lopen de meningen sterk uiteen. Terwijl wedstrijdzeilers de neiging hebben om de ‘rek’ uit het staaldraad te halen, varen toerzeilers vaak liever met wat minder spanning op de verstaging. De gulden middenweg ligt, zoals zo vaak, ergens in het midden. Voor wedstrijdjachten wordt vaak een dunnere verstaging onder grotere voorspanning gehanteerd. Bij een wedstrijdschip is duurzaamheid vaak van minder belang, hoge stagspanning (20 à 30 procent) is daar belangrijker. Door te veel spanning kan het mastprofiel onder een hoge stuikdruk komen te staan, wat halverwege de mast tot een breuk kan leiden. Als het staaldraad al tot een maximale spanning is aangedraaid, is er geen speelruimte meer bij overbelasting tijdens bv. buien of golven. Op toerjachten is het gebruikelijk de verstaging dikker en met een kleinere voorspanning (15 procent) te installeren. Vaak staat er te weinig spanning op de verstaging, puur uit voorzichtigheid. Moderne tuigages met een aluminium mast kunnen echt wel wat hebben.
Mast tunen is niet alleen geschikt voor wedstrijdzeilers, maar ook voor toerzeilers die meer uit hun tuigage willen halen. Staat een mast niet goed op een boot dan kan een boot niet goed ‘lopen’, heeft weinig snelheid, stuurt zwaar of zeilt over bak- en stuurboord ongelijk. Het hoofd- of topwant is de baas tijdens het tunen van de mast, dat zetten we eerst op spanning. Het hoofdwant zorgt ervoor dat de mast dwarsscheeps rechtop staat. Door het hoofdwant op de juiste spanning te brengen wordt de masttop midden boven de boot getrimd. Die zet je eerst op spanning. De onderwanten zorgen ervoor dat de mast rechtop staat. Na het toepassen van een overmatige pre-bend en het op spanning zetten van het topwant, wordt de mastbuiging met het onderwant naar behoefte weggeregeld. Uiteraard zonder daarbij de mast langsscheeps of dwarsscheeps in een rare vorm te dwingen. Dit kan je snel controleren door via de mastgleuf naar boven te kijken. -in de mastgroef kijken verraadt iedere bocht- Dan is gemakkelijk te controleren of de mast recht staat of nog enigszins uit het lood. Over het algemeen moet op het hoofdwant meer spanning staan dan op de onderwanten, omdat deze door hun lengte een grotere rek hebben. Wanneer masten zijn voorzien van gepijlde zalingen betekent dit dat door spanning op het hoofdwant te zetten, de spanning op het voorstag toe neemt. Dit zal resulteren in een voorstag dat minder ver doorhangt en dus meer hoogte aan de wind geeft. Met de achterstag-spanner (een sterk vertraagde talie of hydraulisch) kan je tijdens het zeilen de mast nog verder fine tunen; rechter (voor de wind) of met mastbuiging (aan de wind). Hiermee beïnvloed je naast de vorm van de mast ook het profiel van het grootzeil. Controleer of de mast bij toenemende wind niet voorover buigt, zo ja, dan de hekstag doorzetten.
Vervolgens moeten eerst stuurboord en bakboord buitenverstagingen strak gesteld worden. Dat kun je het eenvoudigst testen door met je buik voor de mast te gaan staan en met je handen op beide stagen de spanning te voelen. Klinkt gek, maar "lekker strak" is best een goeie kwalificatie. Je kunt natuurlijk ook een stagspanningsmeter gebruiken om gelijkheid te checken, maar die moet je maar net bij de hand hebben of willen aanschaffen. Als je gemeten hebt dat je mast recht staat, draai de stagspanners aan stuurboord en bakboord dan altijd evenveel slagen strakker. Dan de binnenstag; hetzelfde verhaal qua spanning, maar deze verstaging heeft een belangrijker trimfunctie dan de buitenstag. Deze stag bepaalt je mastkromming: hoe strakker, hoe rechter je mast (omdat buitenverstaging je mast iets naar achteren trekt). Zet je teveel spanning op je onderwant dan regel je wellicht meer mastbuiging weg dan je lief is. Werk bij correcties in de juiste volgorde. Draai het eventueel aanwezige tussenwant en het onderwant los en begin met meer mastbuiging. Zet het hoofdwant vervolgens op spanning, daarna het onderwant en als laatste het tussenwant. Voor het uiteindelijk verkrijgen van dezelfde mastbuiging of het volledig wegregelen hiervan zet je meer spanning op onderwant en tussenwant. Daarna volgt de check onder zeil.
De mast moet in het midden licht naar voren krommen. Dit heet pre-bend (voorbuiging). Een mast heeft pre-bend nodig om bestand te zijn tegen de krachten die ontstaan bij gereefd varen. Het beheerst toepassen van pre-bend stabiliseert buigzame masten. De hoeveelheid pre-bend kan je meten door de grootzeilval bij de giek tegen de mast te klemmen en de val dan strak te trekken. De afstand tussen de val en de mast is de pre-bend. De optimale pre-bend is afhankelijk van hoe de zeilen gesneden zijn en kan bij de zeilmaker opgevraagd worden. Voor een Fox22 ligt dit rond de 6 à 7 centimeter. Een 30-voeter met doorgestoken mast heeft al snel zo’n acht centimeter pre-bend. Een 40-voeter bijvoorbeeld 10 à 12 centimeter. Bij niet doorgestoken masten is de pre-bend soms nog enkele centimeters meer. (bron: Tuned Rigs)
Als maximale stagspanning voor toerboten wordt 15% van de breeksterkte gebruikt. Hiervoor wordt de twee-meter-methode veel toegepast. De toegepaste stagspanning wordt gekoppeld aan de rek van twee meter stag. Hiervoor gebruik je een 2 meter lang meetlint, vastgeplakt op het stag, en zo kan je de rek meten. Deze rek meten we op en vertalen dit vervolgens terug naar de stagspanning. De verstaging van de Fox 22 is van 1x19 RVS 316, diameter 6mm. Rek per 5% van de breeksterkte bij een staglengte van twee meter is voor 1 x 19 staaldraad 1mm. 3mm rek is dus ongeveer 15% breeksterkte. Er staan wel voorbeelden van op internet. Als je een stagspanningsmeter gebruikt: een 6mm stag heeft een breeksterkte van 2880kg, 15% daarvan is 432kg. De spanning op onder- en eventueel tussenwant is niet in één getal te vangen, deze pas je toe via terugkoppeling onder zeil, trail-and-error.
Stap 1: Nadat de wantspanners handvast zijn aangedraaid, bevestigen we met plakband de bovenkant van een twee meter duimstok of lat aan de stuurboord stag. Tussen het onderste vrije uiteinde van de duimstok en de stagterminal houd je enkele millimeters speling, welke we met de schuifmaat precies opmeten. Stap 2: Hierna draaien we de stuurboord wantspanner aan, totdat afstand A met anderhalve millimeter is toegenomen. Deze toename meten we precies op met de schuifmaat. Vervolgens laten we de duimstok hangen en draaien de bakboord wantspanner aan totdat de toename drie millimeter is geworden. Et voilá: een stagspanning van 15% van de breeksterkte. (info: Breehornclub) Vind je dit allemaal te ingewikkeld en wil je het gemakkelijk doen dan kan je als vuistregel aanhouden; tot 4bft moet de lijzijde op spanning blijven, daarboven mag het iets losser gaan staan. Een advies: kijk in je verzekeringspolis, want daarin wordt vaak bepaald dat verstaging om de tien jaar vervangen moet worden. |