Fox 22

...eigenlijk wil iedereen snel varen!

Waarom vaart die andere boot toch altijd net iets sneller dan je eigen boot? Ligt het nu echt aan je boot of kan je niet zo snel omdat je een aantal zaken niet goed voor elkaar hebt? Wat moet je doen om je boot echt ‘aan de praat’ te krijgen? Als eerste moeten de tuigage en boot goed op elkaar afgestemd zijn. De boot moet in de winterperiode zorgvuldig worden voorbereid op het nieuwe zeilseizoen. De bemanning moet een toegewijd en efficiënt team zijn, en strategie en navigatie moeten goed overdacht zijn. Hierbij een paar tips voor 'gratis' snelheid?

Het onderwaterschip:

Schip op de wal? Dit is de kans! Misschien wel het meest vervelende karwei van de hele winter, maar oh, wat maakt een beetje aandacht veel uit! Dus, schuren maar! Als je het echt goed wilt doen moet eerst alle oude antifouling eraf. Dan plamuren en glad schuren met korrel 400. De primer indien nodig herstellen en de nieuwe antifouling met lakrollertjes aanbrengen (deze vergaan wel zeer snel, maar geven verreweg het gladste resultaat). De wedstrijdzeilers onder ons zullen tussen de lagen met korrel 600 of fijner willen schuren, waardoor het ‘sinaasappeleffect’ wordt voorkomen. (Ik weet het, dit is een vreselijk werkje) Vergeet niet de kiel en het roer extra aandacht te geven, vooral de achterzijde. Door een vloeiende lijn wordt de uitstroom van het water langs de profielen sterk bevorderd en voorkom je onnodige wervelingen.

De tuigage:

Basisregel voor een snel zeilend schip is dat de krachten, door de wind gegenereerd, met zo min mogelijk verlies worden omgezet in snelheid. Vijand nummer 1 hierbij is rek. Nu rekken bijna alle materialen, aluminium en RVS niet uitgezonderd. De truc is dus om de gevolgen van die rek zoveel mogelijk in te perken. Dit kan op diverse manieren.

Spanning op de verstaging: Zorg dat de mast behalve op de juiste trim, ook op de juiste spanning staat. Vuistregel is dat verstaging tot ongeveer 15% van de breeksterkte gespannen moet worden. Hiervoor zijn meetinstrumenten in de handel, maar daar zijn minder goede ervaringen mee. Beter is de zogenaamde ‘2-meter methode’, waarbij de rek van de verstaging over een afstand van 2 meter wordt gemeten om zodoende de spanning op het stag te meten. (Zie ook Techniek Specials/trimmen van de mast op deze Fox22-site. Deze methode staat ook beschreven in het Seldén boekje "Hints and advice"). Deze methode klinkt vrij ingewikkeld, maar is in de praktijk met enige oefening zeer goed zelf uit te voeren. Na het inperken van de gevolgen van de rek, is het tijd om naar de masttrim te kijken.

Staat de mast wel recht?

Meet dat nou niet met een (rekkende) val, zoals goedbedoeld wordt geadviseerd. Ook een rekvrije val rekt voor hij op werkspanning staat! De beste methode is om de topwanten, terwijl de mast ligt, naast elkaar langs de mast naar beneden te trekken. Als de tuiger zijn werk goed gedaan heeft, zijn deze op de millimeter nauwkeurig even lang. Nadat de mast recht staat, kunnen de spanners eenvoudig aan beide zijden gelijk worden ingedraaid. (Gebruik een schuifmaat en wees ècht exact!) Hierna kan je, kijkend door de zeilgroef naar boven, eventuele knikken zien en de mast 'in kolom' zetten door de onderwanten en eventueel de tussenwanten af te stellen. Voor de duidelijkheid, eerst de mast recht zetten en dan pas op spanning brengen! De pre-bend (voorbuiging) van de mast wordt altijd bepaald door de voorlijkronding van het grootzeil. Vuistregel hierbij is hoe groter de pre-bend, hoe vlakker het grootzeil. Véél pre-bend kan een paardenmiddel zijn om een uitgezeild grootzeil nog enigszins in vorm te krijgen. Pre-bend wordt gecreëerd met de onderwanten, achterstag, babystag en, in geval van een mast met naar achteren gerichte zalingen, voornamelijk met de topwanten. Ervaren wedstrijdzeilers passen de pre-bend aan op de wind- en watercondities, voor toerzeilers voldoet vaak een gemiddelde.

De praktijk:

Maar zit nou alles in de materialen? Nee, natuurlijk niet! Een goede zeiler kan alle boten aan de praat krijgen. Wat hiervoor van het grootste belang is, is basiskennis over zeiltrim. Hier zijn tientallen boeken over te krijgen. Mijn advies is: lezen en proberen! Enkele voorbeelden. Het ANWB handboek Zeiltrimmen, North Sails heeft hele duidelijke boeken over zeiltrim www.northsails.com. Seldén heeft een informatief boek over masttrim en zo zijn er nog vele andere boeken en artikelen geschreven. Maar ook op deze website gaan we dieper in op de trimmogelijkheden van de Fox. Zie onder de knop ‘Zeiltrimmen’ en 'Techniek specials/zeiltrimmen' op de Fox22-site.

Het is zeer belangrijk om de tuigage als één geheel te zien. Iedere verandering in trim van de fok/genua beïnvloed het grootzeil. Een voorbeeld: als de schootwagen van de fok naar achteren verplaatst wordt, wordt de twist in dit zeil groter. Het grootzeil zal nu ook verder open getwist moeten worden, dit kan door de overloop omhoog te trekken en de grootschoot iets te vieren. Probeer altijd de twist in beide zeilen gelijk te houden, 1+1 is in dit geval méér dan 2!

Nog een voorbeeld: trek het achterstag aan en beredeneer maar wat er gebeurt: de voorstag wordt strakker getrokken, hierdoor wordt ook de fokkeval strakker getrokken. De mast wordt achterover getrokken, de pre-bend in de mast wordt groter. Dit heeft het volgende effect:

  • de bolling van de fok wordt minder door het strakkere voorstag
  • de bolling in de fok verschuift naar voren door de strakkere genuaval
  • de twist in de fok wordt groter (de mast kantelt achterover)
  • de bolling in het grootzeil wordt minder door de grotere pre-bend
  • de twist in het grootzeil wordt groter (de mast kantelt achterover)
  • het zeilpunt verschuift naar achteren, de boot wordt loefgieriger
  • de voorspanning op de tuigage wordt groter, de boot reageert actiever

Blijf actief trimmen en sturen, maar heb geduld. Je kunt met allerlei kleine trimbewegingen veel bereiken, maar elke trimbeweging heeft tijd nodig om effect te sorteren. Door actief te zeilen leer je je boot beter kennen. Hierdoor vaar je niet alleen sneller, maar ook veiliger, zelfverzekerder en met meer plezier. Je bent immers aan het sporten! Experimenteer met reven en zeilcombinaties, probeer de zeilen eerst eens vlak te trimmen en open te twisten voordat je een rif legt. Vaak vaart het schip zo zelfs beter, en anders is het een goede oefening in zwaarweer trim.  

De twist in een zeil:

De twist is de verdraaiing van het achterlijk van onder naar boven, waarbij de top verder naar lij staat dan het onderste deel van het zeil. Twist is één van de belangrijkste manieren om winddruk te lozen; als je de top van het grootzeil naar lij laat uitwaaien verlies je veel druk en wordt de helling van de boot minder. De hoeveelheid twist regel je met de spanning op het achterlijk. Door zoveel mogelijk mastbuiging te creëren, wordt het zeil vlakker en krijgt de broodnodige twist. De giek moet aan de wind met een stijve bries naar lij gebracht worden. Hoe meer achterlijkspanning, hoe minder twist. Bij een fok regel je de twist door de schoothoek meer naar achteren te trekken, door de lei-ogen naar achteren te plaatsen en vice versa. Wanneer bijvoorbeeld ‘boven’ de tell-tale aan lij ontevreden is, en ‘onder’ de tell-tale aan loef, heb je meer twist nodig en haal je de wagen van de genuarail naar achteren of vier de barberhauler, wat je maar op je boot hebt zitten. Bij een grootzeil kan je de twist verkleinen door de giek naar beneden te trekken. Dit doe je door één of meerdere van de volgende manieren:

  • door je neerhouder aan te halen;
  • door de overloop verder naar lij te zetten en de grootschoot in te halen;
  • of door je vangsheet aan te halen;
  • door de lijschoot en de loefschoot beide aan te halen. Dit is afhankelijk van wat er op je boot zit, van de situatie en van je persoonlijke voorkeuren.

Als je de twist wilt vergroten kan je, naast het omgekeerde te doen van wat hiervoor staat, ook de kraanlijn aanhalen. Dit doe je voornamelijk bij weinig wind, wanneer alleen het gewicht van de giek al te veel spanning op het achterlijk zet.

De werking van tell tales:

Tell-tales zijn verklikkers die zichtbaar maken hoe de luchtstroming zich om de zeilen gedraagt. Ze helpen ons bij het bereiken van een optimale trim. Ze vertellen tot in detail of het maximale uit de zeilen wordt gehaald. Wanneer tell tales naar boven, beneden of naar voren wijzen, dan moet de schoot strakker of losser. Aan het achterlijk is dankzij tell tales te zien of het zeil voldoende twist heeft en of de luchtstroom langs het achterlijk overal goed het zeil loslaat. Bij ideale trim wijzen alle tell tales naar achter. Een tell tale is niets anders dan een dun, licht touwtje, kunststof lintje of strookje spinnakerdoek dat aan het zeil is vastgemaakt. Tell tales bestaan in vele afmetingen en uitvoeringen.

Tell tales zijn essentieel bij het varen van wedstrijden, wanneer men goed wil opkruisen en wanneer men een optimale zeiltrim wil bereiken. Aangezien je lucht niet kunt zien heb je tell tales nodig om te zien hoe de stroming om je zeil heen verloopt. De basis voor een goede zeiltrim. Met de juiste invalshoek geven ze de laminaire luchtstromen aan beide zijden langs het zeil weer. De sliertjes laten namelijk ook de langsstromende lucht aan de lijzijde zien, die één tot anderhalf keer meer 'vermogen' creëert dan de duwkracht in het zeil aan loefzijde. Tell tales aan het achterlijk geven feilloos aan of de luchtstroom mooi naar achteren loopt en of de wind het zeil zonder turbulentie loslaat. Logisch is dus om ze daar te zetten. Minimaal drie, op een kwart, op de helft en op driekwart. Ze zijn eenvoudig aan te brengen door ze op het zeil te plakken.

Bij de fok is het meestal vrij zinloos om ze op het achterlijk te plakken, omdat je ze dan niet kunt zien als je je aan loef bevindt, ze zitten dan achter het grootzeil. Daarom zet je ze bij de fok zover naar voren dat je ze als stuurman kunt zien. Het onderste paar tell tales achter het voorlijk noemen we de stuur-tell tales en dienen voor het oog van de schipper om de aanstromingshoek van de wind goed te bepalen. Is dit het geval dan waaien ze, zowel loef als lij, netjes naar achteren.

In de praktijk is het zo dat de tell-tales in het grootzeil altijd horizontaal naar achteren waaien. Wapperende en terug krullende tell tales verraden turbulentie: de luchtstroom is losgekomen van het zeil. De boot zeilt dan niet optimaal. Doordat er meerdere zijn, geven ze ook aan of het zeil de juiste mate van twist heeft. De bovenste verklikker is het moeilijkst om goed te krijgen, maar wel de belangrijkste indicator voor de twist. Doordat de breedte van het zeil in de top beperkt is, ontstaat hier al snel turbulentie waardoor de bovenste tell tale naar lij en naar voren wegwaait. Maar ook dat vraagt enige nuancering. Bij lichte tot matige wind hoeft de bovenste tell tale niet continu naar achter te wijzen, hij mag terug krullen. Bij sterke wind moet ook deze verklikker wel continu naar achter wijzen, als teken dat de wind de top verlaat zonder turbulentie. Je zult waarschijnlijk merken dat het heel moeilijk is om alle tell tales naar achteren te krijgen. Bedenk dan dat de stroming aan lij het belangrijkst is aangezien deze de hoogste snelheid heeft.

Bij ruimwindse koersen zijn de tell tales in het midden van het zeil belangrijker, die in het achterlijk zullen dan vaker naar lij wegwaaien omdat de boot bij ruimwinds zeilen nu eenmaal niet de snelheid van de wind haalt. Tell tales helpen bij het maken van een benadering van de optimale zeiltrim. Het voortdurend zoeken naar een optimale trim is één van de redenen dat zeilen veel watersporters een leven lang blijft boeien.