Waar vroeger de jager of vlieger als voorste zeil bij een voor-de-windse koers op de boegspriet van een schoener werd bijgezet voor meer stuwkracht, wordt tegenwoordig een spinnaker bij moderne zeiljachten als voorste zeil gebruikt. De naam zou afkomstig zijn van het Engelse jacht "Sphinx", waarop dit type zeil voor het eerst werd gebruikt. 'Sphinxer' werd verbasterd tot spinnaker. Het is een groot, bol gesneden, driehoekig zeil dat met behulp van een spinnakerboom vliegend wordt gevoerd aan de zijde waar het grootzeil niet staat en heel veel kracht kan ontwikkelen. De spinnaker is qua vorm eigenlijk het ideale ruime-wind zeil. Op een wedstrijdjacht is spinnakeren met harde wind de ultieme uitdaging.
De symmetrische spinnaker of spi is een groot bol voorzeil dat op alle boten gevoerd kan worden. Menig schipper en bemanningslid moet in het begin de angst voor de grote, meestal vrolijk gekleurde zeilen overwinnen. Een spinnaker blijft voor veel toerzeilers een lastig ding, extra schoten, barberhaulers om te kunnen trimmen, een spiboom met twee lijnen om hem omhoog en naar beneden te houden, etc. Ook het hijsen en strijken is iets waar men tegenop ziet. De basisvaardigheden van het varen met een spinnaker zijn echter helemaal niet zo ingewikkeld, en er zijn goede hulpmiddelen om het zeilen makkelijker te maken. Zelfs met een kleine bemanning is het mogelijk veilig te spinnakeren. De spinnaker is een zeil dat je volgens vaste procedures zet, trimt en strijkt. Voor shorthanded zeilen is een goede slurf erg handig. Je kunt snel strijken en de slurf desnoods tot in de haven laten hangen. Door alles rustig voor te bereiden en je er niet aan te storen dat de spinnaker even klappert voordat je bij de schoot bent, kan je het zelfs in je eentje. Goed spinnakeren is dus vooral een kunstje dat je moet leren door het gewoon te doen. Het geeft een enorme voldoening om achter zo’n machtige spinnaker aan te sturen en te voelen hoe de boot er door wordt voortgetrokken.
Het is bekend dat de spinnaker de grootste snelheid genereert bij voor-de-windse koersen tot maximaal 65 graden aan de wind. De spinnaker is een absolute must voor de wedstrijdzeiler. Met name bij lichtweer condities is dit zeil ideaal. Juist in lichte en middelmatige wind zit de meeste winst van een spinnaker. Toch wordt hij nog relatief weinig gebruikt door de toerzeiler. Daarom proberen wij de angst van de toerzeiler voor dit fantastische ruime-windse zeil een beetje weg te nemen.
Verschillende typen spinnakers:
Een spinnaker is symmetrisch gesneden, wat wil zeggen dat de lijken gelijk zijn. Er zijn vele vormen en soorten, die door de manier waarop ze gesneden zijn, verschillen in bolling, breedte en hoogte. De symmetrische spinnaker kent in principe drie basis vormen:
de vlak gesneden spinnaker (reacher) voor koersen van 65 tot 120 graden
de vol gevormde racing spinnaker (runner) voor koersen van 130 tot 180 graden voor maximale snelheid op voor-de-windse koers
de allround spinnaker voor koersen tussen 90 en 150 graden
Reacher Runner Allround
radial head spinnaker tri-radiaal spinnaker full-radial spinnaker
De reacher is zo gemaakt dat hij makkelijk hogere koersen kan zeilen. De runner daarentegen is juist bedoeld om zo ‘diep’ mogelijk te kunnen varen, zo plat mogelijk voor de wind. De toerzeiler zal meestal kiezen voor iets dat daar tussenin zit, de allround spinnaker.
Radial head spinnaker:
De radial head spinnaker is een symmetrisch gesneden spinnakerzeil die op een spinnakerboom wordt gevaren. Symmetrisch gesneden betekent dat de beide lijklengtes gelijk zijn. Het banenpatroon bestaat uit een radiaal gesneden top (ongeveer 1/3 deel) en daaronder horizontale banen. Het horizontale gedeelte beslaat ongeveer 2/3 gedeelte van het zeil
Tri-radiaal spinnaker:
De tri-radial gesneden spinnaker wordt wat boller gesneden. Het is een symmetrisch spinnakerzeil die meestal als wedstrijdspinnaker, op een spi-boom, gevaren wordt. Het banenpatroon bestaat uit radialen, zowel vanuit de top als ook vanuit de beide schoothoeken met in het midden een paar horizontale banen. Door middel van de horizontale banen is het zeil wat vlakker te trimmen en waardoor wat hoger dan halve wind gezeild kan worden
Harlingen - Terschellingrace 2009
Full-radial spinnaker:
Het banenpatoon is nu volledig radiaal vanuit alle hoeken. De stand is tot zeer vlak te trimmen en daardoor is het zeil veel hoger aan de wind te varen. Door zijn vlakke snit, gecombineerd met zijn brede schouders, behoeft dit zeil de nodige trim. Een echte wedstrijdspinnaker. De full-radial spinnaker is eigenlijk een vervolg op de tri-radiaal gesneden spinnaker
Taakverdeling bij het varen met een spinnaker:
Taakverdeling bij drie personen:
De voordekker bedient de fokkeschoten, zet de spinnakerboom in en uit.
De middenman of -vrouw bedient de spinnakerschoten en spinnakerval.
De stuurman of -vrouw bedient het roer en de grootschoot.
De inrichting van de boot bepaalt wie de spinnaker het best kan hijsen.
Taakverdeling bij twee personen:
De voordekker bedient de fok- en spinnakerschoten en spinnakerboom.
In een modern team geeft de voordekker het signaal: "spi neer, nu!".
De schipper bedient het roer, de grootschoot en het spinnakerval.
Tijdens gijpen, hijsen en strijken kan de stuurman of -vrouw even de spinnakerschoten overnemen.
De verschillende onderdelen voor gebruik van de spinnaker:
Om goed met een spinnaker te kunnen varen zijn een aantal techhnische voorzieningen nodig. Hier een overzicht;
Keerblokken:
De schoten lopen door keerblokken op het achterschip terug naar de kuip. Sommige zeilers geven de voorkeur aan ratelblokken. Ratelblokken nemen een deel van de schootspanning over die op de schoten staat. Het voordeel ervan is dat je zelf minder kracht hoeft te zetten om de schoot in rust in de hand te houden. Ratelblokken werken maar één kant op, de schoot moet onder spanning vastklikken. De ’zelfdenkende’ ratelblokken werken automatisch. De ratelfunctie schakelt automatisch in wanneer de kracht hoger wordt, en schakelt weer uit bij lagere belastingen. Hierdoor vieren de schoten vele malen gemakkelijker. Het is ook mogelijk om de ratel continu in of uit te schakelen. Bij gewone blokken speelt dit voordeel niet.
Spinnakerboom-ophouder (boomhijs):
De ophouder is de lijn die de spinnakerboom omhoog houdt en zit aan de mast als een extra soort val. Aan de bovenkant, in het midden van de spinnakerboom, bevindt zich een beugel voor de bevestiging van de ophouder. Bij zware spibomen wordt vaak een hanenpoot gebruikt, die aan de beide uiteinden van de spiboom is bevestigd en de trekkracht verdeelt. Met een ophouder stel je dus de hoogte van de loefschoothoek van de spinnaker in.
Spinnakerboom-neerhouder: Ook heeft de spiboom een neerhouder, meestal aangeduid als boomneerhouder. Samen met de ophouder bepaalt de neerhouder de hoogte van de spiboom. Om de neerhouder aan de spiboom te bevestigen zijn er twee opties. Met een hanenpoot (en RVS ring) aan de beide uiteinden van de spiboom of bij kleinere spinnakers met een paalsteek rond de spinnakerboom. De hanenpoot verdeelt de trekkracht, zodat de boom niet kan doorbuigen. De opwaarts gerichte trek kan behoorlijk groot zijn, als de spinnaker bij een frisse bries opbolt. Eventueel worden de krachten op de neerhouder nog door een extra blok vertraagd. Voor de bevestiging van de neer- en ophouder kan een karabijnhaak worden gebruikt. Nog beter is een snapsluiting met wartel en oog. Snapsluitingen met wartel volgen de trekrichting van de spiboom en schavielen daardoor niet in de blokken.
Spinnakerboom:
De spinnakerboom [spi-boom] is een aluminium- of carbon-fiberbuis, die gebruikt wordt om de loefzijde van de spinnaker te fixeren. Carbon is 60% lichter dan aluminium en tweemaal zo sterk. Let er wel op dat aluminium beslagen goed zijn geïsoleerd van het koolstoflaminaat. Die twee verdragen elkaar slecht. Aan de beide uiteinden van een spiboom zit een eindfitting met verende borgpen, die met een lijntje opengetrokken kan worden. Hierbij wordt de ene kant van de spinnakerboom op de mast vastgezet en het andere einde aan de loefschoot of schoothoek van de spinnaker. Voor beide varianten zijn liefhebbers te vinden, al zullen de meeste zeilers de loefschoot preveleren. Een spiboom moet in principe altijd horizontaal worden gevaren, met de eindfitting vanonder op het oog/schoot bevestigd. Wannneer de lijn wordt aangetrokken gaat de vergrendeling door middel van een verende borgpen open en valt de boom direkt los van het mastoog en/of loefschoot. Als lengte wordt meestal de afstand mast - boeg, of mast - onderzijde voorstag aangehouden, de zg. J-maat. Wordt de spinnakerboom gebruikt om een fok uit te houden dan heet hij fokkeloet
Barberhauler (tweaker):
De naam barberhauler is afkomstig van de Australische zeilers de gebroeders Barber, die vroeger uitkwamen in de Lightning-class, een ontwerp van Sparkman & Stephens. Zij zijn de bedenkers van een simpel lijntje, die extra trimmogelijkheden geeft aan de spinnaker. De barberhauler is een blokje aan een lijn, tussen het gangboord en de spischoot. De barberhauler zit op het breedste punt van de boot aan de voetrail en wordt vanuit de kuip bediend. De barberhauler regelt de dwarsscheepse positie van de schoot van een spinnaker. Door de barberhauler aan te trekken, wordt de spischoot meer naar binnen en naar beneden getrokken. Vaak staat de giek de lijschoot in de weg. Dan kan de schoot met een barberhauler geleid worden. De barberhauler wordt dan gebruikt om de lijschoot onder de giek door te leiden. Op een voor-de-windse koers wordt de barberhauler zover aangetrokken dat de schoot net onder de giek passeren kan. Ook regelt de barberhauler de twist in het achterlijk van de spi. Zo krijg je meer controle over de boom en een stabielere spinnaker.
Spinnakerboom aanslaan:
De spiboom heeft aan beide uiteinden hetzelfde beslag. Deze kan je opentrekken met een lijntje. Na bevestiging van de loefschoot in de bek van de spiboom klapt deze, als het goed is, dicht door middel van een verende borgpen. De spinnakerboom wordt altijd gehesen aan de andere kant (loefzijde) dan waar de spinnaker wordt gehesen, en op hoogte vastgezet met behulp van de boomophouder en -neerhouder. Bij het hijsen van de spinnaker moet de boom horizontaal hangen. Eerst wordt de loefschoot door de spiboom gehaald en de boom ongeveer op de juiste hoogte gezet met de boomophouder. De neerhouder van de spiboom is nog niet doorgezet. De boom hangt aan loef, tegen het voorstag. Daarna eerst de loefschoot doorhalen, tot de halshoek van de spinnaker tegen de bek van de spiboom zit, en dan pas hijsen we de spi vanachter het grootzeil en voorzeil.
De stand van de spiboom bepaalt dus de hoogte van de schoothoek. Deze wordt in verticale richting geregeld d.m.v. de boomhijs en de spiboomneerhouder en in horizontale richting d.m.v. de loefschoot. Op kleine boten zit soms een dubbele neerhouder, zodat je aan beide kanten een neerhouder kunt verstellen. Je kunt dan aan de hoge kant blijven zitten wat de snelheid en stabiliteit van de boot verbeterd. De loefschoot gaat om de lier en wordt tijdens het hijsen aangehaald, totdat de boom op ongeveer 45 graden van de schijnbare wind staat.
Waar de schoten van de spinnaker langs lopen (onder of boven de giek) is afhankelijk van de soort tuigage. Bij een fractionele tuigage hangt de top van een spinnaker bij de top van het voorstag, vaak op 7/8 van de lengte van de mast. Doordat de top lager hangt, is ook het onderlijk van de spinnaker lager en zullen het achterlijk van het grootzeil en de lijschoot van de spinnaker elkaar steeds hinderlijk kruisen als de schoot boven de giek wordt gevoerd. Loopt de lijschoot onder de giek door, dan zal de spinnaker een diepere en krachtiger vorm krijgen die vooral geschikt is voor een vlakke spinnaker bij weinig wind.
Spinnaker hijsklaar maken:
Een spinnaker hijs je in de luwte van het grootzeil en achter je voorzeil; ofwel vanuit de tas, bevestigd aan de reling of voordek, ofwel vanuit het luik van de kajuit. Het voorzeil zorgt ervoor dat de spinnaker niet om het voorstag kan draaien bij het hijsen. Zorg dat de spinnaker goed in de spinnakerzak zit en de zak wijd open staat. Maak de zak vast aan de voetrail of reling, anders gaat deze overboord tijdens de hijs. De spinnaker heeft drie ogen. Trek de hoeken van de spinnaker ongeveer een halve meter uit de zak en check dat de spi niet meer vast zit aan de lussen van de spinnakerzak. Maak de schoot aan de spinnaker vast aan de schoothoek. (schoten aan de ‘clews’) Haal de schoten door de barberhaulers naar het blok helemaal achter op het dek. Check dat de loef- en lijschoot aan de goede schoothoeken van de spinnaker zitten en buiten het want, de reling en voorstag om lopen. Ervaren zeilers gebruiken vaak spinnakerschoten in twee kleuren, zodat vergissen is uitgesloten. Controleer dat de schoten goed door de blokken lopen en nergens achter kunnen haken. Bevestig de spinnakerval aan de tophoek van de spinnaker. (val aan de ‘head’) Vergewis je ervan dat de val niet om het voorstag gedraaid zit en vrij naar boven loopt. Controleer dat de spinnakerval niet tussen zaling en grootzeil zit, maar vóór de zaling langs loopt.
Het hijsen van de Spinnaker
De stuurman bepaalt in overleg met de voordekker wanneer er wat gebeurt. Ga bijna voor de wind varen. Zo ongeveer een hoek van 30 graden aanhouden. De fokkenist legt de spinnakerval om de lier en geeft hem aan de stuurman. De stuurman hijst de spinnaker, terwijl de fokkenist de spinnaker begeleidt. Dit moet snel gebeuren maar uiteraard zonder dat de spinnaker blijft haken en mogelijk scheurt. Tevens zorgt de stuurman ervoor dat hij een rechte koers vrijwel pal voor de wind blijft varen. De fokkenist trekt met de loefschoot de spinnaker achter fok en grootzeil vandaan en viert ondertussen de lijschoot zoveel als nodig is om de spinnaker vrij van het voorstag te houden. Een vuistregel is dat de spinnakerboom haaks op de schijnbare wind staat. Als de boom in de juiste hoek staat en op de goede hoogte, moet de neerhouder worden doorgezet. De spiboom is nu gefixeerd door loefschoot en op- en neerhouder. Indien gewenst kan het voorzeil nu worden gestreken/opgerold en het grootzeil getrimd op de nieuwe luchtstroming. Omdat de loefschoot gefixeerd is, trim je de spinnaker met de lijschoot.
Het varen met spinnaker:
1) Probeer eerst de spinnaker te zetten op ruime koersen zonder spiboom. De spinnakerboom hangt ondertussen vrij aan de op- en neerhouder. Dus de stuurman hijst en de bemanning laat de spi vol vallen. Daarna neemt de stuurman tijdelijk de schoten over en houdt de spinnaker vol, terwijl de bemanning de loefschoot in de boom zet. Verifieer of de boomneerhouder goed vast zit. Realiseer je wel dat de stuurman ook nog andere taken heeft en zo snel mogelijk de spinnakerschoten weer kwijt moet. Onder omstandigheden met harde wind brengt dit absoluut voordeel, omdat een spi eerder staat en dus ook eerder trekt.
2) Bij halve wind eerst de boom zetten en loefschoot doorhalen, dan pas de spinnaker hijsen. Terwijl de stuurman hijst zet de bemanning de loefschoot tijdelijk in de klem, waarbij de boom in de juiste positie moet worden gebracht. Een handig hulpmiddel hierbij is om de schoot te merken daar waar hij in de klem moet worden gezet. Pas als de spi volledig gehesen is en alles goed staat de lijschoot aantrekken en de schoten uit de klemmen halen.
Spinnaker trimmen:
Het basisprincipe van de spinnakertrim is eenvoudig. Het belangrijkste is het zeil symmetrisch te houden ten opzichte van de hartlijn van de boot. Dat betekent de schoothoeken horizontaal houden, op dezelfde hoogte boven het water. Als de lijken dichter bij elkaar staan wordt het zeil boller. Brengen we de lijken verder uit elkaar dan wordt het zeil vlakker. De meeste mensen hebben de neiging de boom te laag te zetten. Een lage spiboom geeft een vlakke spinnaker, een hoge spiboom maakt deze voller. Zorg ervoor dat de spinnaker zoveel mogelijk vrij blijft van het grootzeil, zodat de lucht vrij spel heeft tussen de twee zeilen. Bij achterlijke wind wordt met de loefschoot de spinnakerboom loodrecht op de schijnbare wind gezet. Dit geeft het grootste oppervlak. Komt de wind van opzij dan zetten we de spiboom in een kleinere hoek ten opzichte van de wind. Het kan nodig zijn om de boomneerhouder te vieren of aan te trekken. Zet de boom op zodanige hoogte dat, wanneer de spi invalt, die dat over het gehele voorlijk tegelijk doet. Met de loefschoot gefixeerd trim je met de lijschoot. Op reachende koersen ligt de spinnakerboom bijna tegen het voorstag. Als het achterstag trimbaar is, wordt deze gevierd, zodat de mast rechtop staat. Om te zien of de spinnaker bij halve wind nog effect heeft, moeten we naar de spinnakerval kijken. De val moet schuin naar voren aan de mast trekken. De spinnakerboom houden we steeds op 45 graden op de schijnbare wind middels de loefschoot (brace)
In een vlaag de lijschoot vieren en niet de loefschoot. Als de spinnaker moeilijk te houden is dan moet afgevallen worden, niet oploeven! Bij veel wind moeten we de aangrijpingspunten van de spinnakerschoten halverwege de boot aantrekken. Dit bereik je door (vooraf!) de schoten door een barberhauler te leiden. Door de barberhauler aan te trekken, trek je de schoot meer naar binnen, zodat je ook bij halve wind de spiboom vrij kan houden van het voorstag, en de opwaartse krachten op de spiboom helpen opvangen. Je houdt hiermee een betere controle over de stand van de spi-boom, en dus over de spinaker.
Spinnaker gijpen:
Ook hier moet een bepaalde handelingsvolgorde worden aangeleerd; een samenspel tussen stuuurman en bemanning. Je kunt gijpen eerst oefenen zonder spinnakerboom. Als je de spi vol kunt houden tijdens een aantal gijpen, betrek dan pas de boom erbij.
De stuurman gaat bijna voor de wind varen en neemt een punt op de wal om zeker van te zijn dat hij voor de wind blijft varen. Niet plat voor de wind varen. Minstens een hoek van 30 graden aanhouden.
De stuurman haalt de grootschoot binnen en houdt het grootzeil midscheeps (giek fixeren, kan alleen bij weinig wind) om te zorgen dat de spinnaker tijdens de hele manoeuvre wind blijft vangen.
Vlak voor de gijp neemt de stuurman de spinnakerschoten over van het bemanningslid die de eigenlijke gijp uitvoert. Om de spiboom te kunnen omzetten is opvieren van de neerhaler noodzakelijk.
De stuurman houdt de spi vol. De fokkenist haalt de spinnakerboom van de mast en haakt het oog, dat hij zojuist van de mast heeft gehaald, op de nieuwe loefschoot. De boom hangt nu aan beide spinnakerschoten. De fokkenist haakt de spiboom van de ‘oude’ loefschoot en bevestigt de losse kant van de boom aan de mast.
Pas nadat de spiboom is omgezet de giek gijpen. De stuurman gijpt het grootzeil en viert de grootschoot helemaal. Het kan nodig zijn dat de stuurman de nieuwe loefschoot iets viert.
De fokkenist trimt de schoten van de spinnaker.
Tip: Zet de spinnakerboom op een wedstrijdboot nooit in het schootoog van de spi, maar met het te openen eindstuk vanonder op de schoot. Bij het wegnemen kan de loefschoot probleemloos worden doorgevoerd en de boom zonder problemen worden losgemaakt.
Strijken spinnaker:
Als het voorzeil gestreken was, dan moet die eerst gehesen worden voordat wordt begonnen met het strijken van de spinnaker. De spinnaker wordt aan lij gestreken. Bij het strijken van de spinnaker wordt doorgaans één van de onderste bevestigingspunten losgemaakt, zodat de wind helemaal vrij uit het zeil kan waaien. Op jachten zal het de halshoek zijn die wordt losgemaakt. De loefschoot wordt gevierd zodat de spiboom naar voren zwaait en tegen het voorstag hangt. Hierdoor komt de spi in de windschaduw van het voorzeil/grootzeil. De man op het voordek kan bij de speciale snapsluiting, die zo is gemaakt dat hij onder belasting kan worden geopend. Het zeil wappert dan naar achteren, en wordt met behulp van de lijschoot onder het afdekkende voorzeil geborgen; daarbij wordt het val zodanig kalm opgevierd dat de spinnaker niet in het water terecht komt.
Bij weinig wind: Open het luik in de kajuit. Laat iemand klaar zitten met de lijschoot in z’n hand, vier de loefschoot en haal het zeil snel binnen door het luik in de kajuit, hou de top- en schoothoeken altijd in de gaten; deze wil je niet verliezen, totdat ze weer netjes in de tas zijn aangehaakt of anderszins opgeborgen.
Bij veel wind: haal de lijschoot onder het onderlijk van het grootzeil door, vier de loefschoot en haal het zeil snel binnen. Binnen zit iemand klaar om de spinnaker direct weer te pakken met de focus op de 3 ogen.
Opdoeken spinnaker:
Willen wij dat de spinnaker de volgende keer zonder slagen uit zijn zeilzak tevoorschijn komt, dan moet hij voor het inpakken correct worden opgevouwen. Dit moet met z’n tweeën gebeuren, elk aan een tegenovergestelde zijkant van het zeil. leder laat één hand langs het lijkband glijden en legt dat in grote vouwen in de andere hand. Zodra de tophoek en de ringen van zowel hals- als schoothoek bij elkaar zijn, kan de daartussen gelegen lap zeildoek in de zeilzak worden gestopt; de bevestigingspunten worden tot het laatste aan toe buiten de zak gehouden en dan bovenop het weer in de zak gestopte zeil gelegd en de ogen worden met klephaken aan de spinnakerzak geborgd.
Schade aan de spinnaker
Spinnakers kunnen kleine scheurtjes krijgen op de plaats waar ze tegen de slurf aan liggen of door schavielen. Herstel dit voor het gat groter wordt. Maak de spinnaker schoon en laat hem drogen. Gebruik zelfklevende spinnakertape om het gat te bedekken en druk het goed aan zodat er geen luchtbellen tussen zitten of opstaande hoekjes die kunnen blijven haken. Voor grotere gaten breng je tape aan beide kanten aan.
Een paar aanwijzingen kunnen helpen:
Spinnakers worden vliegend gehesen, maar de lij- en loefschoot worden in principe altijd uit de hand gevoerd. De juiste trim wordt met de lijschoot verzorgd. De spinnaker heeft het grootste rendement als het loeflijk bijna op het punt van inklappen staat. Wat je continu doet, net als bij de fok, is de schoot vieren tot het zeil nog net goed staat. Dan haal je de schoot wat aan. In het geval van een spinnaker vier je de lijschoot. Wanneer de lijschoot te veel gevierd is, krult het voorlijk om, er komt als het ware een 'deuk' in de spinnaker. Je trekt dan snel de lijschoot iets aan. Het idee is, dat je de schoot zo snel aantrekt, dat de lucht ongeveer op de zelfde plek blijft en het zeil daar doorheen getrokken wordt. Je trekt het zeildoek dan weg van de positie waar het opgekruld is. Wanneer een koers pal voor de wind niet te vermijden is, is het belangrijk de spinnaker recht naar voren te laten trekken. Hierbij kan het voorstag en de eventueel zichtbare middennaad van de spinnaker als oriënteringspunt dienen. Dit alles regel je met de loefschoot.
Mogelijke problemen bij het varen met spinnaker:
Er zijn vijf problemen met spinnakers die veel vaker voorkomen dan andere.
Soms zit er een knoop in de spinnaker. Doordat je er gewoonlijk van uit gaat dat de spinnaker netjes is opgeborgen en het in de zak niet te zien is, kom je hier pas achter nadat de spinnaker gehesen is. De remedie is tweeledig: Strijk de spinnaker, haal de knoop er uit, en hijs hem opnieuw.
Soms wikkelt de spinnaker zich om de voorstag. Het losgooien van het val lost meestal niets op. Het bovenste gedeelte zou zelfs nog een keer om het stag kunnen draaien. De remedie is gijpen, zodat de spinnaker weer de andere kant op draait totdat die vrij komt van de voorstag. Ook het voorzeil laten staan tijdens het hijsen voorkomt dat de spinnaker rond de voorstag wikkelt.
Als het val te snel wordt gevierd kan de spinnaker in het water terecht komen. Een spi die in het water is gevallen hoeft geen probleem te zijn, zolang het doek maar blijft drijven. De spinnaker glijdt over het water. Zodra de spi water schept en volloopt gaat deze functioneren als een remparachute. Stuur in de wind zodat de boot snelheid verliest en haal de spinnaker weer aan boord.
Nog val, nog schoten hebben een stopper in hun lijn, zodat de spinnaker altijd los gegooid kan worden; de krachten zijn enorm. Soms schiet één of beide schoten van de spinnaker los. Als de voordekker de schoot of het doek van de spinnaker te pakken kan krijgen kan deze opnieuw ingeschoren worden. De stuurman kan helpen door de spinnaker in de luwte van het grootzeil te brengen. Lukt dat niet, dan is in de wind sturen een optie omdat de spi dan naast de boot komt.
Soms zit er een zandloper in de spi na het hijsen. Er is dan boven een stuk spinnaker dat opbolt, daaronder is een stukje dat een paar keer gedraaid zit, met daaronder weer een normaal stuk spinnaker. De remedie is de schoothoeken uit elkaar trekken. De zandloper gaat dan naar boven totdat die bij de tophoek verdwijnt.
Veiligheid:
Onbeheerst rollen, klapgijpen, platslaan....er staan genoeg leerzame filmpjes op YouTube. Als je oplet zie je echter dat die ongewilde stunts vooral ontstaan bij veel wind. In de catagorie 20 knopen plus! Ga alleen met een spinnaker varen tot maximaal 12-15 knopen wind. Nog val, nog schoten hebben een stopper in hun lijn, zodat de spinnaker altijd los gegooid kan worden; de krachten zijn enorm. Het zeilen onder spinnaker vergt enige ervaring, die je alleen maar krijgt door er mee te varen. Doordat het zeilpunt zich sterk naar voren verplaatst, is de kans op uit het roer lopen, of een Chinese gijp behoorlijk groot.
Onder ‘Chinese gijp’ verstaan we het risico dat je na het ‘broachen’, de giek komt dan bijna in het water, de giek direct doorslaat naar de andere kant en het schip daardoor in een slingerende beweging onbestuurbaar raakt.
Broachen:
Als je ‘broacht’; lees: de spinnaker gaat er met jou vandoor, omdat je te veel spinnakerkracht aan één kant van de boot hebt, wordt je plat getrokken. De spinnaker duwt de neus van de boot zijwaarts het water in, waardoor het schip helt en uit koers raakt. Als dit effect bij hoge snelheid optreedt, kan het schip zelfs kapseizen. Het schip 'struikelt' dan over zijn voorkant. Tegensturen helpt niet, het schip helt dan nog verder.
Voor de wind kan de boot gaan rollen. Maakt de boot teveel helling naar loef, dan kan de boot plotseling extreem afvallen. Een klapgijp is dan onvermijdelijk. De giek sleept door het water of hangt tegen de bakstag. Door de druk in het grootzeil draait de boot rond. De spinnaker valt in en hangt klapperend achter het grootzeil, waardoor afvallen niet meer lukt.
Waarschuw je bemanning als je voelt dat je gaat broachen. Stuur bij het rollen van de boot altijd achter de spinnaker aan. Rolt de boot naar loef, loef dan op. Rolt de boot naar lij, val dan af. Vier de neerhouder van het grootzeil, de grootschoot en de spinnakerschoot direct en fors. Dit voorkomt o.a. dat de giek in het water komt, je mast breekt en je verder plat getrokken wordt. Er zijn twee mogelijkheden om weer op koers te komen. Bij harde wind kan je het beste de spinnaker strijken. Is de wind niet zo sterk dan kan je, zodra je weer roerwerking hebt, afvallen en als de spinnaker wind vangt: spinnakerschoten vol aan, de neerhouder van het grootzeil weer strak, en de rust aan boord keert terug...