Veiligheidsuitrusting op groot water
'Een schip is zo zeewaardig als z'n bemanning'. Dit aloude gezegde vertelt slechts de halve waarheid. De boot moet namelijk ook geschikt zijn voor het doel waarvoor hij wordt gebruikt. Het maakt namelijk nogal wat uit of we ons tijdens het varen beperken tot de beschutte plassen en kanalen, of we de Zeeuwse Delta of het IJsselmeer op gaan, of dat we lange tochten over zee maken. Nieuwe schepen moeten sinds 1998 aan de Europese Wet: CE Richtlijn Pleziervaartuigen (Recreational Craft Directive /RC) voldoen. Aan de classificatie volgens deze richtlijn (CE) kan je afleiden voor welk water het schip geschikt is.
Zeilen is, hoe je het ook wendt of keert, geen ongevaarlijke bezigheid. De boot, het werkplatform van de zeiler, staat meestal onder een helling en beweegt bovendien door golven die nooit helemaal voorspelbaar zijn. Wie zich aan boord niet goed vasthoudt, maakt onherroepelijk een keer een smak. Vandaar de veelgehoorde spreuk: één hand voor jezelf en één voor de boot. Het verkeerd vieren van een schoot resulteert in blaren en een klap van de giek heeft iedereen wel eens gehad. Een kritische blik op de samenstelling van de bemanning is dus zeker nuttig. Wie kan de leiding over het schip overnemen als de schipper uitvalt? Wie heeft welke ervaring? Zijn er voldoende ervaren bemanningsleden aan boord om het schip onder alle omstandigheden alleen te kunnen varen? Hoeveel mensen aan boord beheersen de navigatie? De samenstelling van de bemanning bepaalt voor een belangrijk deel wat voor tocht je kunt maken. Veiligheid heeft met kennis en kunde te maken. Kennis kan je opdoen door het volgen van de benodigde cursussen en trainingen. Kunde is vooral een kwestie van ervaring, dus veel doen!
Er is geen nooduitgang op zee:
Het is de grote angst van iedere zeiler: bij slecht weer of in het donker overboord vallen. Wanneer er op groot water gezeild wordt is het daarom verstandig enkele voorzorgmaatregelen te nemen om de veiligheid te vergroten. Voorkomen is hier ook beter dan genezen. Op ruim water varen betekent meer risico’s nemen. Bij pech of zwaar weer kan je niet zomaar even de wal opzoeken en schuilen. Je bent op jezelf aangewezen en op de kwaliteit van je boot. Natuurlijk zijn de waterkaarten van recente datum en is een goede voorbereiding belangrijk. Maar een navigatiefout ligt op de loer. Je kunt op een ondiepte lopen en muurvast komen te zitten. Je kunt een boei missen in snel opkomende mist of simpelweg motorpech in combinatie met harde wind en naar lager wal verlijeren. Dat iedereen een reddingsvest draagt spreekt vanzelf. Mocht er toch iemand overboord raken dan is het belangrijk om hem/haar direct een reddingsboei na te gooien. Lukt het te keren dan is de reddingslijn of een moderne rescue(life)- sling bij uitstek geschikt om de drenkeling weer binnen boord te halen. Nog beter is om jezelf te zekeren aan een lifeline. Een zwemtrap met voldoende steek in het water ontbreekt op de Fox dan ook niet om de drenkeling weer aan boord te nemen. Een marifoon is uitermate geschikt om hulp in te roepen.
Bootschoenen zijn ook belangrijk; blote voeten zijn kwetsbaar aan boord. Draag een inklapbaar zakmes (zeilersmes) in de borstzak van je drijfhulpmiddel of in een etui aan je zeilbroek. In geval van nood kun je een lijn doorsnijden als iemand erin verstrikt is geraakt. Zeilhandschoenen beschermen tegen brandwonden door het te snel vieren van lijnen. Draag altijd schoenen en handschoenen bij de bediening van het anker. Kijk uit voor de ankerlijn en laat die nooit ongecontroleerd vieren. Controleer of alle luiken en poorten gesloten en vergrendeld zijn.
De Vereniging van kustzeilers geeft voor categorie C boten het volgend advies:
- één reddingsvest (met harnas) per opvarende;
- één of meer reddingsboeien (eventueel voorzien van zelfontbrandend licht);
- brandblusapparaat, deugdelijk werkend;
- anker met 40 meter ankerlijn;
- preekstoel en zeereling minimaal 40 cm hoog;
- motor met voldoende vermogen;
- lenspomp met voldoende capaciteit;
- een werplijn van minimaal 25 meter of een Rescue sling;
- een krachtige handlamp geschikt voor het geven van seinen;
- zwemtrap;
- veiligheidsgordel;
- aanhechtingspunten veiligheidsgordel (lifeline);
- eventueel navigatieverlichting;
- (hand)marifoon;
- een (waterdichte) verbanddoos;
- doeltreffende noodseinen (parachutepijlen en handfakkels);
- een bijgewerkte zeekaart van het vaargebied;
- een kompas;
- eventueel een GPS (handheld);
- afsluitbare kajuitingang en brugdek;
Een ongeluk kan ook ontstaan door een inschattingsfout van de schipper. Op bijgaand Youtube filmpje, gemaakt tijdens de Cowes Week 2011, wordt een zeilboot ontmast door een supertanker door een stuurfout van de schipper.
Zeiljacht ontmast door supertanker tijdens Cowes Week.
Lifelines:
Een veiligheidslijn of lifeline is een over het dek gespannen lijn, waaraan men zich bij zwaar weer kan vastmaken om je veilig over het schip te verplaatsen. Een lifeline is een stevige lijn of band die zorgt dat een zeiler altijd met de boot verbonden is, ook als hij overboord is gevallen. Daarom is het van het grootste belang zo kort mogelijk te zijn vastgemaakt. De lijn zit vast aan het oog op een harnas of zwemvest. Vastzitten aan de boot is soms erg onhandig en belemmert zeilers in hun beweging. Elke verplaatsing aan boord vergt speciale aandacht. Even snel naar voren lopen om een vastzittende fokkeschoot los te maken is er niet bij. De sluiting van de lifeline moet eerst worden losgeklikt en op een ander bevestigingspunt worden vastgemaakt. Het gebruik van een looplijn geeft al meer bewegingsvrijheid. Zeker nu de laatste tijd toch weer enkele solozeilers zijn verdronken op het IJsselmeer is het goed aandacht te geven aan de risico’s die zeilen op ruim water met zich meebrengen. Een struikelpartij met bijbehorende plons is soms het gevolg van een kleine misstap.
Lifelines kunnen op twee manieren worden gebruikt. Een korte lijn van 1 meter voorkomt dat je van de boot afvalt, maar beperkt je bewegingsvrijheid wel enorm. Een langere verbinding van 2 meter zorgt ervoor dat, wanneer je in het water bent gevallen, in ieder geval bij de boot blijft. Wanneer je overboord valt zal een boot binnen enkele seconden buiten bereik van de drenkeling zijn. Zes knopen lijkt aan boord een slakkengang, maar als je in het water ligt schiet de boot wel drie meter per seconde bij de drenkeling vandaan. Tel daarbij de tijd die de bemanning nodig heeft om na het alarm tot actie over te gaan, dan is de boot al honderd meter verder. Door de lifeline blijf je in ieder geval vlak bij de boot. Een langere lijn geeft meer werkvrijheid, maar als je overboord bent gevallen kom je zonder hulp bij de meeste boten niet meer aan dek.
Uit praktijktesten van het watersportblad Zeilen (november 2010) blijkt dat bij een snelheid van drie knoop de drenkeling alle moeite zal hebben om het hoofd boven water te houden, ondanks het opgeblazen zwemvest. Je wordt tegen de romp getrokken en er ontstaat een 'boeggolf' voor het lichaam. De drenkeling moet continu werken om niet onder water te komen. Ook het afhouden van de romp vraagt veel energie. Door het opgeblazen zwemvast op de borst is het moeilijk om beide handen op dekniveau te krijgen. Laat staan jezelf ver genoeg uit het water te trekken om een voet over de rand te slingeren. Voor een solozeiler is een lange lifeline dus zinloos. Je komt zelfstandig niet meer aan boord met alle gevolgen van dien. Verder blijkt dat het beklimmen van een zwemtrap met harde wind en golven eerder gevaar oplevert voor de drenkeling dan redding. Wanneer een drenkeling is aangelijnd is de kans groot dat de persoon in het water al een paar keer hard met de romp in aanraking is gekomen en daardoor versuft in het water ligt. Met rustig water en wat hulp van buitenaf is de zwemtrap wel een handig hulpmiddel.
Klik hieronder voor de Zeilen praktijktest lifeline's (PDF).

Reddingsvesten:
Het gebruik van opblaasbare reddingsvesten wordt steeds populairder. Terecht, want in veiligheid doen ze niet onder voor een traditioneel vest, terwijl het draagcomfort vaak beter is. Bovendien zijn deze vesten ideaal te combineren met een veiligheidsharnas. Ieder automatisch reddingsvest heeft een CO2 patroon gevuld met gas. Wanneer dit patroon geopend wordt, door een metalen pin, stroomt het gas in het reddingsvest en blaast het vest op.
Neem een paar minuten de tijd om te controleren of het reddingsvest dat u draagt goed zit. Als dat niet zo is, heeft het in opgeblazen toestand de neiging omhoog te kruipen en is eerder een extra gevaar, dan dat het extra veiligheid oplevert. Een reddingsvest dat zich niet opblaast is een potentieel dodelijk jasje. Regelmatige controle van de spullen is niet alleen een aanbeveling, het is bittere noodzaak. Raadpleeg bij twijfel een expert.
Reddingsvest verplicht stellen?
Zeker op ruimer water is een reddingsvest aan te bevelen. Elk jaar verdrinken er weer zeilers omdat ze geen zwemvest gebruikten, terwijl dit levensreddende vest wel op de boot aanwezig was. Eigenlijk zou iedereen standaard op ruimer water een reddingsvest moeten dragen. Op het IJsselmeer kan het behoorlijk tekeer gaan. Het is veel groter dan velen denken. Het IJsselmeer is bijvoorbeeld 80 kilometer lang en gemiddeld 25 kilometer breed. Op veel plaatsen is de overkant niet te zien. Middenop het IJsselmeer is de dichtbijzijnde haven op zijn minst toch nog 15 tot 20 km verwijderd, dat betekent in de praktijk al gauw 2 tot 3 uur varen. De golven op het IJsselmeer kunnen zeer kort en hoog zijn, mede doordat het weer snel kan veranderen. Als het hard waait kan aan lager wal een koppig zeetje ontstaan. Het Grevelingenmeer, het grootste zoutwatermeer van West-Europa, heeft een lengte van 23 kilometer en een breedte variërend van vier tot tien kilometer. Maar ook de meren en plassen zijn redelijk groot. Nog een voorbeeld? De Fluessen en het Heegermeer zijn tezamen één grote plas. De meren lopen in elkaar over, waardoor je ongemerkt van het ene naar het andere meer zeilt. Tezamen hebben ze een lengte van ruim 10 kilometer en een breedte van ongeveer 2 kilometer. Hoe lang is het geleden dat u dergelijke afstanden heeft gezwommen?
Zoutpil of druksensor:
Voor de activering van het opblaasmechanisme zijn er twee methoden. Het zouttablet of het Hammar mechanisme(druksensor). Allereerst een korte uitleg over het verschil tussen zoutpil of druksensor geactiveerde vesten. Een druksensor reageert niet op water of vocht maar op omgevingsdruk. Het reddingsvest wordt pas geactiveerd wanneer het vest echt ongeveer 10-15 cm onder water zit en er een drukverschil optreedt, waardoor het CO2 patroon wordt geactiveerd. In het zout/papier systeem zit een zouttablet. Een zoutpil is precies wat het zegt, een pil gemaakt van zout. Bij onderdompeling in water lost de zoutpastille op zodat een slagpin het C02-flesje doorprikt en de luchtkamers opgeblazen worden. Beide systemen hebben zich in de loop der jaren bewezen.
Wordt een automatisch vest geactiveerd door regen of buiswater?
Een vest met een druksensor nooit, want die werkt op omgevingsdruk. Een vest met een zoutpil bijna nooit. De zoutpil zit goed verstopt in het vest en alleen wanneer het gehele vest in het water beland lost de zoutpil op en wordt het vest geactiveerd. Een vest met zoutpil kan bijvoorbeeld wel afgaan omdat het vest opgeborgen wordt in een vochtige ruimte. De zoutpil verzadigt dan langzaam met vocht en gaat op een bepaald moment af. U kunt dit voorkomen door het vest niet in een vochtige ruimte op te bergen en uw zoutpil tijdig te vervangen.
Bedrijfszekerheid:
Bij het zouttablet is de kans op niet functioneren nihil, zout lost altijd op in water. Er is een zeer kleine kans dat dit vest per ongeluk geactiveerd wordt als de zoutpil veel omgevingsvocht opgenomen heeft. Ondanks alle testen en normen zou het theoretisch kunnen gebeuren dat de druksensor niet activeert wanneer u in het water valt. Maar het vest zal nooit per ongeluk activeren.
Veel reddingsvesten onveilig:
Veel watersporters dragen een verkeerd type reddingvest en kunnen hun leven daarmee in gevaar brengen. Bovendien presteert de helft van de geteste ‘zware’ vesten onder de maat. Dit blijkt uit een test in 2007 van reddingvesten door het ANWB-watersportmagazine Waterkampioen. In een uitgebreide praktijktest bleek dat geen van de 150 N-vesten aan die laatste eis voldoet. Juist dit type vest wordt door negen van de tien watersporters gedragen. Wie echter, gekleed in een zeilpak en laarzen, met een dergelijk vest bewusteloos overboord gaat loopt een groot risico dit niet te overleven omdat deze vesten een drenkeling niet op z’n rug draaien. Juist zeilkleding en laarzen -die veel lucht vasthouden- benadelen het draaiend vermogen van een reddingvest in hoge mate. Maar ook de 275N vesten bieden onvoldoende veiligheid. Van de acht onderzochte vesten in deze categorie voldoet slechts de helft. De Secumar Tetra was zonder twijfel het veiligste reddingsvest en testwinnaar, maar hier hangt wel een fors prijskaartje aan. De Plastimo Pilot 275N is ook een prima vest, maar bijzonder aangenaam geprijsd. Verder kwamen de Crewsaver Seafit en de Secumar Bolero goed uit de test. Bij deze vesten was het echt onmogelijk om op je buik te blijven liggen. De Secumar Bolero heeft een fijne pasvorm voor dames, door extra ruimte op de borst.
Klik op de afbeeldingen hieronder voor de ANWB Waterkampioen test reddingsvesten (PDF).

CE-normering:
De capaciteit van een reddingvest wordt uitgedrukt in Newton, waarbij 10 Newton gelijk staat aan 1 kilo drijfvermogen.
Volgens de CE-normering worden reddingsvesten ingedeeld in vier drijfvermogenklassen:
- vanaf 50N drijfhulpmiddel (geen reddingsvest) voor geoefende zwemmers op korte afstand van de oever, niet veilig bij bewusteloosheid;
- vanaf 100N voor binnenwateren, beperkt veilig bij bewusteloosheid (kleding afhankelijk);
- vanaf 150N voor kustwateren en veilig bij bewusteloosheid, echter beperkt veilig bij gebruik van zware waterdichte kleding;
- vanaf 275N voor open zee met zijn extreem zware omstandigheden. In nagenoeg alle gevallen veilig bij bewusteloosheid, ook met zware kleding.
Onderhoud reddingsvest:
Een nieuw vest gaat tien tot vijftien jaar mee. Algemeen wordt geadviseerd de eerste tien jaar een reddingsvest één maal per twee jaar te laten controleren bij een gecertificeerd keuringsstation. In geval van intensief of professioneel gebruik wordt minimaal een jaarlijkse inspectie aanbevolen. Een vuistregel is dat een CO2 patroon elke drie jaar vervangen dient te worden. U moet het patroon uiteraard ook vervangen bij elke twijfel over de conditie van het patroon.
Fox22 op de Noordzee bij IJmuiden
Keuring om narigheid te voorkomen:
Vochtige omgeving, temperatuurswisselingen van zomerhitte naar herfstkoelte, stoten, vallen, wrijvingen, reddingsvesten moeten heel wat weerstaan. Om het goed functioneren van het reddingsvest te testen is elke twee jaar een keuring zeer aan te bevelen. (prijsindicatie 25 à 30 euro per reddingsvest excl. materialen) Bij een gecertificeerd keuringsstation worden de volgende punten gecheckt:
- luchtdichtheidstest (16 uur) van het opgeblazen reddingsvest;
- test van de opblaasautomaat in waterbak;
- controle van de handbediening;
- test van het mondopblaasventiel;
- plaatsing nieuwe afdichtringen;
- vervangen zouttablet of druksensor;
- controle naden en beslag;
- controle van het CO2 patroon;
- opnieuw invouwen van het reddingsvest;
- plaatsen keuringssticker.
U kunt zelf ook eenvoudig de vesten testen door ze uit te vouwen, via het pijpje het reddingsvest met de mond op te blazen en 24 uur laten liggen. Als de long niet lekt, leeg drukken en weer op de oorspronkelijke manier teruggevouwen. Een zoutpil kunt u het beste elke 18 maanden vervangen. De CO2 capsule wegen en de automaat kan simpel worden gecontroleerd. U kunt op het patroon zien wat het gewicht zonder CO2 is en wat het volle gewicht is. U kunt het patroon wegen (digitale keukenweegschaal) als u niet zeker weet of het patroon nog vol is. Als u twijfel blijft houden dient u uiteraard het patroon te vervangen. De druksensor heeft een datum en een kleurweergave waaraan u kunt zien of de sensor vervangen moet worden.
Als het vest na 10 jaar zich nog in een onberispelijke staat bevindt, kan het nog gedurende maximaal 5 jaar gebruikt worden. Bij voorkeur dan wel een jaarlijkse keuring. Opblaasbare reddingvesten ouder dan 15 jaar zijn wettelijk altijd afgekeurd. Deze vesten zijn eventueel nog wel als reserve vesten te gebruiken, maar tellen voor de wet niet meer mee.
Noodvuurwerk aan boord
Zeilers die veel op ruim water zitten hebben vaak noodvuurwerk aan boord. Natuurlijk hoopt iedereen dat we het nooit hoeven te gebruiken, maar elke zeiler die het water op gaat kan in een noodsituatie terecht komen. Een noodoproep via de marifoon is in eerste instantie het aangewezen middel om hulp te vragen. Een marifoon is niet op elk jacht even praktisch. Is de marifoon buiten werking en heeft de mobiele telefoon geen bereik dan is een vuurpijl met lichtkogel of een handstakel het enige alternatief. Vuurpijlen zijn daarentegen gemakkelijk mee te nemen en even effectief als het gaat om het vragen om hulp. Wie geen van beide aan boord heeft, is voor redding afhankelijk van in de buurt zijnde schepen. Wat als die er niet zijn?
Vuurpijlen, lichtkogels en rookpatronen kunnen het verschil uitmaken tussen redding en verdrinking. Radar, marifoon en radiobakens hebben de eeuwenoude noodsignalen niet van boord kunnen verjagen, ondanks al hun beperkingen. Die handicaps zijn talrijk. De actieradius van vuurpijlen en lichtpatronen is begrensd. Ze blijven op hun best enkele minuten branden. En de drenkeling moet reuze oppassen dat hij zijn reddingsvlot niet in de hens steekt. Ondanks die nadelen hebben heel wat opvarenden hun leven te danken aan de vinding uit de negentiende eeuw van Martha Coston. In 1859 kreeg de Amerikaanse het octrooi op haar systeem van rode, witte en groene 'pyrotechnische nachtsignalen'.
Soorten noodsignalen:
Er zijn verschillende soorten noodsignalen:
- Rood parachutesignaal; een parachutepijl stijgt op tot een hoogte van driehonderd meter en is bij goed weer tot op dertig mijl te zien. De rood oplichtende kogel blijft aan een parachute in de lucht hangen en daalt langzaam. Het valschermsignaal is uitstekend geschikt om de noodsituatie over langere afstanden kenbaar te maken. De brandduur is veertig seconden met een lichtsterkte van dertigduizend candela en is tot over de horizon te zien. Kan zowel overdag als ’s nachts gebruikt worden.
- De rode handstakel kan zowel overdag als ’s nachts worden gebruikt. Door het afsteken van dit signaal kunt u uw positie kenbaar maken als de reddingboot al onderweg is. De handstakel blijft zestig seconden branden en heeft een lichtintensiteit van 15.000 candela.
- Een witte handstakel kan goed gebruikt worden om een klein gebied te verlichten en is een aanvarings- en waarschuwingssignaal. Het brandt dertig seconden en heeft een lichtopbrengst van 10.000 candela. Handstakels hebben een trekkoord ontsteking.
- Een handrooksignaal levert geen licht, maar een hoop oranje rook op. Het oranje handrooksignaal is geschikt voor gebruik op kleine jachten en open boten. Het produceert 60 seconden een dikke oranje rook en is geschikt om uw positie op korte afstand kenbaar te maken. Alleen overdag te gebruiken.
Er is ook een drijvende variant die in het water gegooid kan worden en minimaal 3 minuten brandt.
- Een alternatief voor het afschieten van vuurpijlen is het gebruik van een seinpistool. Een seinpistool is veiliger en gebruiksvriendelijker, maar vele malen duurder. Om een dergelijk pistool te mogen kopen moet de potentiële eigenaar eerst naar het politiebureau om een vergunning aan te vragen. Pistool en munitie moeten in twee aparte kluizen van elkaar bewaard worden.
- Lichtkogels zijn eigenlijk geen alternatief voor parachutesignalen. Met een hoogte van 80 meter zijn lichtkogels slechts geschikt voor een afstand van enkele mijlen. De branduur is 6 seconden. Maar ze zijn eenvoudig op het lichaam, jack of vest te dragen. Zeker bij een man over boord situatie kunnen ze levensreddend zijn. Kitesurfers in België bijvoorbeeld moeten sinds 2011 verplicht twee noodsignalen bij zich hebben. Voor de aanschaf van deze kleine lichtkogels is geen wapenvergunning nodig. U hoeft zich slechts te legitimeren. Het afvuurmechanisme heeft 6 lichtkogels. Het noodsignaal is goed beveiligd en zeer makkelijk in gebruik voor wanneer de nood aan de man is.
Gebruik noodsignalen en handstakellichten (fakkels) altijd buitenboord en aan de lijzijde. Nooit gebruiken als het noodsignaal op enigerlei wijze is beschadigd. Vuurpijlen moeten makkelijk bereikbaar zijn en de maximale houdbaarheidsdatum niet hebben overschreden.
Klik hieronder voor de ANWB Waterkampioen test "Noodvuurwerk" (PDF).

Laser noodsignaal:
De Rescue Laser Flare, een laserpen, stuurt een laserstraal door een speciale lens waardoor een steeds wijder uitlopende, heldere lichtstraal ontstaat die op vele kilometers afstand zichtbaar is, tot wel 48 kilometer bij nacht. Door de laserstraal over het doel heen te bewegen ziet de ontvanger de straal als een krachtige lichtflits. De Rescue Laser Flare is winnaar van de HISWA Innovatieprijs 2010. Het potentieel levensreddende aspect van de laserpen is volgens de jury een belangrijke toevoeging aan het bestaande noodarsenaal voor reddings- en zoekoperaties. Zelfs bij daglicht zijn de lasers nog te gebruiken. Voor de rode straal wordt bij daglicht een bereik van 1 tot 3 mijl opgegeven, voor de groene 2 tot 4 mijl. Door het opzienbarende effect van de laserstraal, maar ook vanwege de betrouwbaarheid en lange werkzaamheid is de Rescue Laser Flare een zeer relevante toevoeging op bestaande noodsignalen zoals handstakellichten en parachutes. Omdat laserstralen ernstige oogbeschadigingen kunnen veroorzaken, zijn piloten en redders als de dood voor alle soorten laserpennen. Ga dan ook niet op de reddingsboot of helicopter schijnen. Wees bewust van de effecten van laserstralen en realiseer je dat laserstralen blijvende oogschade kunnen veroorzaken.
Klik hieronder voor de Zilt test "Laser vuurpijlen in de praktijk" (PDF).

Bron: BoMarine - Datum: 19-04-2011
Vanuit de luchtvaart werd gewezen op de risico’s van laser bij het aanschijnen van helikopters vanaf het water. Hierop namen KNRM en Kustwacht een terughoudende houding aan tegenover laserverlichting. Uitgebreid onderzoek in de Verenigde Staten door het Naval Surface Warfare Center klassificeert de Greatland Rescue Laser Flare® (Laserklasse 3R) echter als onschadelijk voor het oog bij een afstand boven de 2,64 meter. De Rescue Laser Flare® heeft daarmee eigenschappen die de risico’s voor oogschade bij piloten uitsluit. Zo is de lichtbundel niet puntvormig, maar plamuurmesvormig. Dit voorkomt convergentie in het oog en daarmee mogelijke schade aan het netvlies. Dit onderzoek is bekend bij TNO, dat het als uiterst betrouwbaar beschouwt. De angst voor oogschade bij piloten is hiermee bij KNRM en Kustwacht weggenomen.
De internationale SOLAS richtlijnen.
De Solas-regels (Safety Of Life At Sea) zijn begin vorige eeuw opgesteld en in juni 2002 voor het laatst vernieuwd. Solas V vereist dat alle zeeschepen, maar ook zeegaande pleziervaartuigen, 'afdoende' noodsignalen aan boord hebben. Wat onder afdoende uitrusting wordt verstaan, is kennelijk een vraag die alleen landrotten kunnen bedenken. Zowel de Kustwacht als de Scheepvaartinspectie blijven bij navraag het antwoord schuldig. De Engelse reddingsmaatschappij RNLI (Royal National Lifeboat Institution) geeft de volgende adviezen;
- Op binnenwater en minder dan 2 mijl (Nautical Mile(Nm) van de kust.)*
2 rode handstakellichten en 2 oranje handrooksignalen.
- Voor gebruik op het IJsselmeer/Waddenzee/Zeeuwse wateren en op minder dan 7 mijl van de kust.)*
2 rode handstakellichten, 2 parachutesignalen rood en 2 handrooksignalen.
- Voor gebruik op de Noordzee en meer dan 7 mijl uit de kust.)*
4 rode handstakellichten. 4 parachutesignalen en 2 drijvende rooksignalen.
- Voor gebruik op de Oceaan.)*
6 rode handstakellichten, 2 witte handstakellichten, 12 parachutesignalen en 2 drijvende rooksignalen.
)* niet vereist door Solas.
Winteronderhoud:
Pyrotechnisch materiaal (noodsignalen), zoals fakkels en lichtkogels moeten jaarlijks op hun houdbaarheidsdatum worden gecontroleerd. Om de kans op een gevaarlijke situatie met dit zware vuurwerk te minimaliseren geven fabrikanten een uiterste houdbaarheidsdatum aan de noodsignalen. Van noodsignalen ouder dan drie jaar kan de fabrikant niet garanderen dat deze naar behoren functioneert. Dit geldt zowel de hoeveelheid licht die de pijlen en fakkels geven, als voor de kans op spontane ontbranding. En verstrijkt de houdbaarheidsdatum binnenkort, dan is de oudejaarsnacht bij uitstek geschikt om je van een fakkelparachute of ander noodsignaal te ontdoen. Beter dan afvoeren als Klein Gevaarlijk Afval (KGA). Voordeel hiervan is dat je in alle rust kunt oefenen met het afsteken van een pijl of fakkel. In een echte noodsituatie wil je alleen maar dat de pijlen en fakkels doen waarvoor ze bestemd zijn. Het lukt door de stress in een noodsituatie lang niet altijd om de handleiding, vaak Engels, aandachtig te lezen. Ervaring met het afsteken van noodvuurwerk en het ervaren van de krachten die vervolgens vrijkomen zijn van grote waarde. Bij het ontbranden van fosfor in een handstakel komt extreem veel hitte vrij. De raket van de parachutepijl verlaat de lanceerpijp met hoge snelheid. Het afsteken van noodvuurwerk is dus niet zonder risico’s. Realiseer je wel dat lichtkogels zijn bedoeld voor gebruik op open water. Dikwijls brandt de kogel nog als de parachute in het water valt. Dus wees attent op eventueel brandgevaar.
|