Zeilkoersen
Wind is een natuurlijke beweging van lucht. Deze kan heel zacht zijn, zodat je het amper voelt, of juist heel hard, zodat je bijna niet meer tegen de wind in kunt lopen. Of de wind uit het noorden of het zuiden komt is niet belangrijk, het is wel belangrijk hoe de wind ten opzichte van de boot staat. Of beter gezegd: welke koers de boot vaart ten opzichte van de wind. Een zeilboot gaat vooruit doordat de wind in de zeilen blaast. De zeilen kunnen gesteld worden zodat deze efficiënt van de wind gebruik maken. Om te bepalen hoe het zeil moet staan moet je weten waar de wind vandaan komt. En daar is een windvaan voor.

Het is dus belangrijk dat je weet waar de wind vandaan komt. Hierop pas je de standen van de zeilen aan.
In de wind:
De wind blaast tegen de voorkant van de boot. De zeilen vangen geen wind en klapperen. In de wind zeilen kan niet. Dit gebied beslaat voor zeilboten ongeveer 30-45 graden over beide boegen. Voor een zeilboot is dit geen bezeilde koers. Als je genoeg vaart hebt, kun je wel 'door de wind' gaan. De zeilen gaan dan van de ene kant naar de andere kant en de boot. Dit heet 'overstag' gaan.
Aan de wind:
Aan de wind is een term uit de zeilvaart, waarmee een koers wordt aangeduid waarbij de wind schuin van voren komt. De lengte-as van de zeilboot maakt dan met de windrichting een hoek tussen 45 en 60 graden. De zeilen moeten op deze koers flink worden aangehaald. Trek de schoten zover aan dat het zeil net niet kilt (killen = klapperen). Vooraan in het zeil, bij de mast, kun je het beste zien of het zeil gaat killen. De kunst is door aantrekken of vieren van de schoot het zeil zo los mogelijk te houden, zodanig dat het net niet kilt.
Halve wind:
Bij halve wind komt de wind van de zijkant van de boot. Je kunt de schoten wat verder laten vieren zodat de zeilen wat meer uit gaan staan en meer wind vangen. Ook hier weer vieren tot de zeilen net niet gaan killen. Halve wind is de snelste koers die een zeilboot kan varen. De gennaker kan worden bijgezet. Bij halve wind staat de windrichting tussen de 80 en 100 graden op de lengteas van de boot.
Ruime wind:
De wind komt schuin van achteren. Dit noemen we ruime wind. De zeilen mogen nog verder uitstaan. Je kunt de schoten dus nog verder laten vieren, net zover tot de zeilen net niet killen. Bij ruime wind vormt de windrichting een hoek tussen ongeveer 100 en 170 graden met de lengteas van de boot, dit kan over beide boegen. De spinnaker, gennaker of parasail(or) kan worden gehesen.
Voor de wind:
De wind komt van achteren. Wanneer men voor de wind vaart, komt de wind via de achtersteven binnen (tussen de 170 en 190 graden). De zeilen staan het verst naar buiten. Je kunt zelfs proberen de fok over de andere kant te zetten dan het grootzeil, zodat je nog sneller gaat. Dat heet te loevert zetten van de fok. De neerhouder wordt vastgezet om te voorkomen dat de giek omhoog waait. Ideale omstandigheden om de spinnaker te hijsen. De spinnaker zorgt ervoor dat vanaf windkracht 4 de Fox gaat planeren. Het risico bestaat dat de boot gaat ‘rollen’ met een spinnaker.(zie foto) Voor de wind wordt ook wel 'gijpkoers' genoemd. Het grootzeil heeft de neiging om in één keer naar de andere kant over te slaan. Dat heet 'gijpen'. Dat kan best gevaarlijk zijn want de giek scheert dan over de boot heen. In de kuip blijven dus op deze koers!
Schijnbare wind:
Wanneer we op de wal staan voelen we de wind uit een bepaalde richting waaien. Wanneer je op een zeilboot vaart voel je ook de wind, maar die waait plotseling uit een andere hoek dan wanneer we op wal staan. Dit noemen we de schijnbare wind. Hierdoor heb je het gevoel dat bepaalde trajecten te bezeilen zijn, maar in de praktijk lukt dat net niet. Vergelijk het met fietsen; windkracht drie schuin van voren lijkt plotseling een vierenhalf recht van voren als je begint te fietsen. Als we aan de wind zeilen is de schijnbare wind altijd iets sterker en op de boeg gericht dan de ware wind. Dit komt door de bootsnelheid en hoek waarin we ten opzichte van de wind varen. Hoe zit dat? De wind die ontstaat door de voorwaartse snelheid, ook wel vaartwind genoemd, vormt samen met de ware wind een parallellogram van krachten; ze hebben allebei invloed. De resultante van deze twee is de schijnbare wind, de wind waar mee we rekenen tijdens het zeilen. Bij halve wind en ruime koersen verschillende de schijnbare wind en ware wind niet zoveel van elkaar. Naarmate we hoger aan de wind zeilen, neemt de schijnbare wind dus toe.
Wanneer de wind ‘vlagerig’ is kan dat zowel voor- als nadelen opleveren. Verandert de snelheid van de wind, dan verandert ook de snelheid van de schijnbare wind en de invalshoek verandert daardoor tijdelijk. Wanneer er een windvlaag aankomt kan een boot tijdelijk hoogte winnen. De schijnbare wind komt ruimer in en de boot kan oploeven. Wanneer de wind afneemt vindt het tegenovergestelde plaats. Bij het afnemen van de wind moet de boot hoogte prijsgeven.
|