Fox 22

Zeiltrimmen van de Fox

De zeilen zorgen voor de voortstuwing van een schip. Om een boot zijn maximale rompsnelheid te laten ontwikkelen moeten de zeilen optimaal staan. Bij zwakke wind moeten de zeilen de maximale diepte krijgen. Bij harde wind staan de zeilen een stuk vlakker. Niet alleen voor wedstrijdzeilers zijn deze trimfuncties belangrijk, juist ook toerschepen hebben profijt van een goede bediening van de zeilen. Die schepen zijn vaak zwaarder, zodat ze moeilijker op snelheid komen en juist dan is een goede zeiltrim belangrijk. Goed trimmen betekent vooral het verschil tussen onrustig en comfortabel varen. En die halve knoop extra snelheid is natuurlijk mooi meegenomen.

Zeiltrimmen:

Wedstrijdzeilers weten het al jaren: je boot loopt beter en sneller en stuurt gemakkelijker als de zeilen er goed op staan. Zeiltrim is de vaardigheid om op een zeilboot de zeilen zo aan te passen dat de boot sneller en comfortabeler vaart. Wedstrijdzeilers zijn hier permanent en fanatiek mee bezig. Veel toerzeilers kunnen profijt hebben als zij maar iets alerter zijn en hoeven daarvoor echt niet allerlei hightechmateriaal aan boord te halen. Er is voor toerzeilers dus nog wel iets te leren. En dat is nodig ook, want moderne toerjachten zijn steeds vaker ook voorzien van een goed trimbare tuigage. Een ambitieuze zeiler zal na het toepassen van de vele tips en trucs merken dat de boot niet alleen sneller zeilt, maar ook gewoon prettiger vaart. Dit theorie-onderdeel wordt als erg ingewikkeld ervaren. Zeilen trimmen is best moeilijk, omdat er zoveel factoren zijn die ook nog constant veranderen. Veel zeilers komen niet veel verder dan: "Bij harde wind moet je alles strak zetten, en bij weinig wind alles zo zetten dat net de vouwen uit je zeil zijn". Veel zitten deze mensen er niet naast, maar ze missen wel de uitdaging om 'de boot zo lekker mogelijk te laten lopen', wat een hele nieuwe dimensie aan zeilen toevoegt. Wie dit eenvoudige krachtenspel begrijpt, kan al snel vaak gemaakte fouten vermijden. Wat dit betreft is zeilen, net als bergbeklimmen een ervaringssport.

Op een Fox zitten meerdere mogelijkheden om de zeilen te trimmen.

  • Verstelbare lei-ogen;
  • Overloop met traveller;
  • Cunningham hole;
  • Vallen;
  • Schoten;
  • Verstelbare achterstag;
  • Bindrif;
  • Neerhouder;
  • Onderlijkstrekker;
  • Positie bemanning (gewichtsverdeling)

De kunst van het zeiltrimmen is het aanpassen van het profiel van de zeilen aan de voor de omstandigheden van het moment ideale vorm. Die omstandigheden zijn naast windsterkte, de windrichting en eventuele golfslag. Het voert te ver om uitgebreid in te gaan op de vele mogelijkheden die de zeilers te dienste staan. Over het zeiltrimmen zijn boeken volgeschreven. Wie zich hier in wil verdiepen adviseer ik met name het handboek ‘Zeiltrimmen’ van de ANWB. Dit is een boekje waarbij alle beginselen van het zeiltrimmen stap voor stap worden behandeld. Een ander erg leuk boek is: 'Zeiltrimmen voor toerzeilers' van uitgeverij Hollandia. In dit boek gaat het niet over hightechmaterialen en technieken, maar om het efficiënt handelen en het optimaal gebruiken van de mast, staand en lopend want en zeilen.

Toch willen we in het kort enkele basisbeginselen toelichten. Aan de wind leidt het voorzeil (fok/genua) de boot, het grootzeil volgt en geeft balans en controle. Goed om te weten is dat het voorzeil op een gemiddeld toerschip zo’n 70% van de totale voortstuwing levert. Uit onderzoek is gebleken dat bij de fok tweederde van de totaalkracht wordt omgezet in voortstuwende kracht en eenderde in dwarskracht. Bij een grootzeil is dat precies omgekeerd. Het kan dus helemaal geen kwaad als het grootzeil in een vlaag even niet meedoet. Vreemd genoeg zitten de meeste trimmogelijkheden op het grootzeil.

De roerdruk is de belangrijkste indicator van een uitgebalanceerde trim. Aan de wind mag de roerbladuitslag niet meer dan vijf graden zijn. Maar zelfs als de zeilen pefect zijn getrimd, kan een windvlaag de balans verstoren. Een vlaag kan tientallen procenten sterker zijn dan de gemiddelde windkracht. Dan moet de druk onmiddellijk uit het grootzeil, om te voorkomen dat de boot uit het roer loopt.

Het principe van het zeilen:

Het grootzeil ziet er uit als een vliegtuigvleugel, het is enigszins bol. Doordat de wind langs de bolle zijde een langere weg volgt dan de andere zijde ontstaat er druk die ervoor zorgt dat de boot vooruit wil (het Bernoulli-effect). De spleetwerking tussen fok en grootzeil is gebaseerd op de naar achteren toe vernauwende spleet tussen fok en grootzeil. De lucht versnelt als hij door een trechter wordt geperst. Zo draagt de spleetwerking bij aan de effectiviteit van het grootzeil. Natuurlijk in combinatie met de kiel die ervoor zorgt dat de boot zijwaarts tegendruk krijgt. Tot ongeveer windkracht vier is dat effectief om de boot vooruit te stuwen en maken we gebruik van de bolling. Boven windkracht vier houdt de bolling in toenemende mate wind vast en veroorzaakt op die manier het ongunstige scheefhangen. Hier spelen twee begrippen een rol;

  • het zeilpunt: hier komen alle krachten van het zeil samen.
  • het lateraalpunt: hier komen alle krachten van het water op de romp samen.

Als het zeilpunt recht boven het lateraalpunt ligt is de boot neutraal op z'n roer. Als een zeiljacht erg scheef hangt (zeilpunt komt verder van het lateraalpunt te liggen) komt het voortstuwingspunt van de zeilen naast de boot te liggen en stuwt de neus van de boot naar de wind toe. De boot wordt loefgierig. Je moet dan heftig tegensturen waardoor de boot sterk wordt afgeremd. Bij voor-de-windse rakken gelden er natuurlijk andere principes. En zo als bij alle zeilboten, bij teveel wind moet gereefd worden.

Verstelbare lei-ogen:

Om de fok optimaal te trimmen zijn op de Fox 22 rails met verstelbare lei-ogen aangebracht. De lei-ogen kunnen door middel van veerstoppen op diverse posities worden vastgezet, afhankelijk van de windkracht. Wanneer er een harde wind waait willen we een vlakkere fok. Dit kunnen we bereiken door de lei-ogen naar achteren te plaatsen. Het onderlijk komt hierdoor strak te staan, maar het achterlijk opent zich zodat de wind eruit kan waaien.

Bij weinig wind willen we het tegenovergestelde, zodat de fok bol staat. De lei-ogen gaan naar voren, waardoor de wind in de fok blijft zitten en zo kan de fok van elk klein vlaagje profiteren. En natuurlijk zijn tussen de beide uitersten alle standen mogelijk, afhankelijk van de kracht van de wind.

Overloop met traveller:

In de kuip van de Fox zit een Sprenger HS overloop met traveller, een gelagerd wagentje. Over deze rail kan de grootschoot traploos heen en weer bewegen en door middel van lijnklemmen op elke gewenste positie worden vastgezet. In eerste instantie lijkt het een ‘sta in de weg’ die de kuip in tweeën deelt. Maar het is in wezen het belangrijkste hulpmiddel (gaspedaal) bij het regelen van de winddruk en dus de helling van de boot. Een overloop regelt de stand van het achterlijk van het grootzeil.

Bij harde wind op aan-de-windse koersen wordt de traveller naar lij verplaatst. Het achterlijk bovenin gaat open en het zeil verliest daardoor veel energie, waardoor de boot zoveel mogelijk rechtop blijft varen en de snelheid optimaal blijft. Het bovenste deel van het zeil doet als het ware even niet mee en het zeilpunt komt flink lager te liggen. Wordt de wind iets zwakker dan gaat de traveller naar het midden. Bij zwakke wind gaat de traveller naar de loefzijde. De grootschoot laten we dan weer vieren tot de giek weer midscheeps staat. De giek kan nu met de windveranderingen meebewegen. Het achterlijk opent zich iets en de zwakke luchtstroming kan het zeil volgen.

Verstelbare achterstag:

Op de Fox zit standaard een naar de top toe verjongde Neut mast. De achterstag is eenvoudig met behulp van een talie te vertrimmen, waarbij de masttop een flink eind naar achteren te verstellen is. De masttop en het uiteinde van de giek komen wat dichter bij elkaar, waardoor het achterlijk van het grootzeil in de middelste en bovenste deel van het zeil open gaat staan. Dit noemen we twist. De wind is boven in de mast altijd sterker dan over dek. De wind wordt namelijk afgeremd door de wrijving met het water. Twist is één van de belangrijkste manieren om winddruk te lozen. De wind kan boven in het zeil ontsnappen en het zeil verliest energie. Twist zorgt ervoor dat je achterlijk als het ware wegwaait, wat een lagere uittredehoek geeft. Het voorzeil wordt strakker en er komt spanning op de voorstag. Met name bij harde wind biedt dit voordelen en blijft de boot beter rechtop. Ook voorkomt het 'twisten' dat de boot uit het roer giert. Schroom niet om het achterstag volop te belasten, de Fox is er op berekend. Denk er wel om de achterstag een beetje te ontspannen als u niet zeilt. Dit spaart namelijk het voor- en achterstag en verlengt aanzienlijk hun levensduur.

Neerhouder:

Vooral op ruime koersen is de neerhouder van belang. De neerhouder is een talie die de giek met de mastvoet verbindt. De neerhouder is meestal een aantal malen vertraagd en zit vast bij de mastvoet, op ongeveer 1/8 van de giek vanaf de mast. Met de neerhouder kan je het zeil trimmen als je meer of minder twist in je zeil wilt hebben. Als bij ruime- en voor-de-windse koersen de giek omhoog zou waaien, omdat de grootschoot te ver is uitgevierd en dus de giek niet meer omlaag trekt, neemt de neerhouder deze taak over. Hiermee voorkomt de neerhouder het omhoog waaien van de giek, waardoor het achterlijk te veel open gaat staan. Qua functie is het dus ongeveer het omgekeerde van de kraanlijn. De neerhouder zorgt er dus voor dat het achterlijk van het grootzeil gesloten blijft en slingerbewegingen worden beperkt. Als je de neerhouder strak doorzet als je ook je grootschoot helemaal hebt aangetrokken, en dan de grootschoot weer loslaat bestaat er een kans dat je mast knikt bij de giek.

Onderlijkstrekker:

Met de onderlijkstrekker kunnen we het onderlijk van het grootzeil op spanning zetten. Het effect hiervan is niet zo groot, omdat we alleen het zeil onderin vlakker maken. Als we hem maximaal laten vieren, geven we het zeil onderin een grotere profieldiepte. Dus bij harde wind de onderlijkstrekker op de maximale spanning zetten. Bij zeer licht weer is de onderlijkstrekker volledig gevierd.

* Onder de knop 'Techniek Specials/zeiltrimmen' op deze website wordt dieper ingegaan op de theorie en praktijk van het zeiltrimmen.


De techniek van het reven:

De Fox22 is een óvertuigd jacht. Dat wil zeggen dat er in verhouding tot de waterlijnlengte en gewicht een relatief groot tuig op staat. Als het te hard gaat waaien, zetten de zeilen de harde wind om in zoveel energie dat dit niet meer in voortstuwing, maar uitsluitend in helling wordt omgezet. Dit leidt tot snelheidsverlies, de boot loopt uit het roer en gedraagt zich oncomfortabel, maar ook de veiligheid komt in het geding. Het grootzeil van de Fox heeft de mogelijkheid tot een dubbel bindrif waarmee het zeiloppervlak kan worden verkleind. Zo’n beetje boven windkracht vier wordt een boot vaak onhandelbaar. De helling van de boot neemt toe en de boot kan uit het roer lopen. Voordat we het eerste rif gaan zetten, kan de grootzeiltrimmer het grootzeil nog maximaal vlak maken en veel twist aanbrengen om overtollige druk bovenin het zeil te lozen. Als alle mogelijkheden van het trimmen zijn uitgeput zal er dus zeil geminderd moeten worden. Belangrijke tip voor het reven. Reven met harde wind is een zeer onaangename taak aan dek. Reef op tijd. Zet een reef in het zeil als het nog kan. Wacht niet dat de windkracht teveel toegenomen is. Meestal ben je dan te laat.

De fok is geplaatst in een Furlex rolfoksysteem, zodat het oppervlak van de fok traploos kan worden verminderd. Nog even dit: waarom werkt het verminderen van het zeiloppervlak van een rolfok, zoals je tegenwoordig op bijna alle toerboten aantreft, niet om te reven? Zelfs door een klein beetje inrollen neemt de bolling toe en loopt het diepste punt van de bolling naar achteren.

Reven:

"Even een rifje zetten" horen we zeilers vaak roepen. Wat betekent reven nu eigenlijk? Reven wil simpelweg zeggen, het zeiloppervlak verkleinen. Er komt in feite weinig theorie kijken bij reven. Door zeiloppervlak te minderen breng je het hellend moment, het zeilpunt naar beneden. Hierdoor wordt de roerbalans behouden. Omdat de ontwerper van een boot uitgaat van gemiddelden, wordt een zeilplan ontworpen voor matige wind. Als er weinig wind staat zou een zeilboot veel meer zeil kunnen voeren. Bij veel wind zal de helling van de boot toenemen en de boot wordt enorm loefgierig. De boot dreigt hierdoor uit het roer te lopen. De reden daarvoor is dat door de helling van de boot het zeilpunt ver naast de lengte-as van het schip komt te liggen, aan lij. Er staat de schipper nu nog maar één optie open, er zal zeil geminderd moeten worden en dat noemen we reven.

Reefhaak op een Fox22

Alle zeilboten kunnen reven en het is verstandig om dit bij harde wind ook te doen. De winddruk op het zeil wordt kleiner, dus de boot gaat minder scheef. Het stuk zeil dat je naar beneden haalt, met wat daar aan lijnen en ogen in het zeil voor nodig is, wordt een rif genoemd. De haak waar je op veel boten het oog van het voorlijk achter haakt, heet een reefhaak. Vervolgens kun je met de reefknuttels (lijntjes die aan het zeil hangen) het overbodig geworden stuk grootzeil netjes tegen de giek aan knopen.

Het nut van reven:

Bij het reven neemt de snelheid van een boot veel minder af dan je zou denken. Bij een flinke helling remt het schip namelijk vanzelf al af, doordat er meer waterweerstand is als een boot op zijn ‘zij’ ligt, en de wind over het zeil heen blaast. Bij sterk toenemende wind neemt de belasting op de mast, zeilen en schoten sterk toe. Het bedienen van de schoten gaat moeizaam vanwege de grote spanning die erop staat. Daarnaast kan gijpen gevaarlijk worden, omdat de giek met een grote klap overkomt en bij een foutje het schip extreem kan laten hellen en omslaan. Wanneer je het zeil verkleint en minder helling maakt, vangt het zeil weer vol wind dat dan weer vertaald wordt in snelheid.

Bindrifsysteem:

Aan de wind moet tussen kracht 4 en 5 bij de Fox het eerste rif erin. De Fox22 heeft een bindrifsysteem. Dit is het eenvoudigste reefsysteem en volledig betrouwbaar. Met een bindrif reef je door een nieuwe hals- en schoothoek te kiezen. Hiervoor is een reefkous, een versterkt gat, in vóór- en achterlijk van het zeil aangebracht.



De lijn die je aantrekt om het rif te steken heet een smeerreep. Per rif loopt er een lijn (smeerreep) van de giek door een oog aan het achterlijk van het grootzeil, op de hoogte van het rif. Dan weer terug naar het achtereind van de giek, over een schijf, door de giek naar de mast en via een schijf naar een valstopper op het kajuitdak. Meestal heb je twee smeerrepen, dus voor je 1e en 2e rif. De smeerreep dient om bij het reven van het grootzeil, het achterlijk en het onderlijk opnieuw strak te trekken op de giek. Het is dus een hulpje om je rif er extra snel in te trekken. Door deze strak te trekken wordt circa 1 meter van het grootzeil weggenomen. Bij de halshoek zet je het zeil via de reefkous vast aan de reefhaken met een halstalie. Maar de reefkous kan ook direct op de daarvoor bestemde reefhaak aan de giek worden gehaakt. Bij een dubbel rif wordt de tweede reeflijn op dezelfde manier als de eerste reeflijn vastgemaakt. Afhankelijk van het reefsysteem, bij een doorlopende reeflijn nog even de reefhaken vasthaken aan het elastiek, of de reeftouwtjes (reefknuttels) netjes vastbinden en varen maar weer! Dit is natuurlijk niet noodzakelijk, maar ziet er wel zo netjes uit. Je kan dit in slecht weer ook achterwege laten. Door een bindrifsysteem worden de zeileigenschappen van het schip niet nadelig beïnvloed. Met één rif en de standaard fok valt er bij windkracht 5 nog prima te zeilen. Bij zes moet er nog een rif in het grootzeil en moet de fok worden verkleind.

Reven tijdens het zeilen:

Om snel te reven tijdens het zeilen ga je zo scherp mogelijk aan de wind varen. Je laat het grootzeil net genoeg zakken om het voorste oog om de reefhaak vast te zetten. Hierna trek je het grootzeil weer op spanning. Vervolgens zet je de kraanlijn iets door om de giek goed omhoog te krijgen, zodat het achterlijk ruimte krijgt. Daarna trek je de smeerreep strak en zet hem vast in de easylock klem, zodat er een nieuw onderlijk ontstaat. Kraanlijn weer vieren. Het zeil even rechtleggen langs de giek. De reefknuttels vastzetten en je zeil staat er perfect bij.

In de giek van de Fox22 zitten drie schijven. De middelste schijf is voor de onderlijkstrekker van het grootzeil. De beide buitenste schijven zijn voor de smeerrepen van het 1e en 2e rif. Gebruik verschillende kleuren lijn voor de diverse functies.

Voor de echte liefhebber; als je bij het reven de sleetjes van het zeil uit de mastsleuf haalt, kun je het overtollige zeildoek netjes oprollen. Iets meer werk, maar beter voor het doek en het ziet er veel netter uit. Maar…… dat lukt dus niet tijdens het zeilen met harde wind.


Windsnelheden:

De Beaufortschaal is een Ierse uitvinding van Sir Francis Beaufort (1774). Beaufort was marinecommandant van het fregat Woolwich van de Royal Navy. De admiraal baseerde zich bij het ontwikkelen van zijn schaal op eerder werk van anderen waaronder de Nederlander Jan Noppen (molenwindschaal). De Beaufortschaal uitte zich niet in natuurkundige krachten en snelheden, maar in de menselijke maat en de effecten op de omgeving. Hij maakte een indeling in 13 windsterkten, aan de hand van de zeilvoering van een fregat, beginnend bij 'kalmte' en eindigend bij 'orkaan'. Hij bepaalde de windsterkte aan de hand van de hoeveelheid zeil dat een fregat bij de wind kon voeren en de snelheid van het schip. In 1921 werd de schaal aangepast door Sir George Simpson en die voegde windsnelheden aan de schaal toe. Zo veranderde de windkracht-schaal van Beaufort in een windsnelheid-schaal.

Zwakke wind:
Windkracht 1 = 00,3 - 01.5 meter per sec. 00 - 05 kilometer per uur
Windkracht 2 = 01,6 - 03,3 meter per sec. 06 - 11 kilometer per uur
Matige wind:
Windkracht 3 = 03,4 - 05,4 meter per.sec. 12 - 19 kilometer per uur
Windkracht 4 = 05,5 - 07,9 meter per sec. 20 - 28 kilometer per uur
Vrij krachtige wind:
Windkracht 5 = 08,0 - 10,7 meter per sec. 29 - 38 kilometer per uur
Krachtige wind:
Windkracht 6 = 10,8 - 13,8 meter per sec. 39 - 49 kilometer per uur
Harde wind:
Windkracht 7 = 13,9 - 17,1 meter per sec. 50 - 61 kilometer per uur
Stormachtige wind:
Windkracht 8 = 17,2 - 20,7 meter per sec. 62 - 74 kilometer per uur
Storm:
Windkracht 9 = 20,8 - 24,4 meter per sec. 75 - 88 kilometer per uur
Zware storm:
Windkracht 10 = 24,5 - 28,4 meter per sec. 89 - 102 kilometer per uur
Zeer zware storm:
Windkracht 11 = 28,5 - 32,6 meter per sec. 103 - 117 kilometer per uur
Orkaan:
Windkracht 12 = Meer dan 32,6 meter per seconde